Mijn naam is Bert Leysen.

Ik werd geboren op 27 december 1972 in Herentals en groeide op in een bescheiden dorpje in de Kempen. Een televisietoestel was in de jaren 1970 nog iets speciaals. Als kleutertje mocht ik graag naar Beertje Colargol, de Berenboot of Bolke de Beer kijken. In feite waren de meeste kinderseries in die tijd slechts poppenkastverhaaltjes, met veel gepraat en weinig actie, maar wanneer ik hier aan terugdenk word ik daar heerlijk nostalgisch van.

Stilaan mocht het allemaal een versnelling hoger. Bijna een tiener, keek ik op tv naar herhalingen van stokoude series, zoals Kapitein Zeppos of Axel Nort, of naar meer 'moderne' series. In de verhaaltjes van De Kat, Het Veenmysterie of Merlina vielen helden duidelijk te onderscheiden van slechteriken. Vaak was het beschermen van de natuur tegen sluikstorters een belangrijk streefdoel, en samenwerken was superbelangrijk. Het waren deze avonturen die we de volgende dag op de speelplaats van de jongensschool naspeelden.

Apetrots was ik aan het einde van het vijfde studiejaar, toen ik van meester Vissers, als beloning voor een mooi opstel of een goed rapport, een boek uit zijn stapel mocht kiezen om thuis te lezen tijdens de zomervakantie. Het werd Axel Nort overwint, het vervolg op Axel Nort, een boek dat ik al in m'n bezit had omdat het ooit nog van mijn moeder was geweest. Ik had 't al talloze keren herlezen, telkens wanneer ik bij m'n grootouders logeerde. Nu kwam ik eindelijk te weten hoe dit spannende verhaal in twee delen afliep. Wat een prijs, zeg!

Overigens lag op hetzelfde nachtkastje bij m'n grootouders nog een hele stapel andere boeken die ik gretig las.

Wanneer er op tv niets te beleven viel, las ik graag stripverhalen. Nog voor ik kon lezen, verslond ik de avonturen van Jommeke of Suske en Wiske. In een van mijn vroegste herinneringen vind ik mezelf terug, op de speelplaats van de kleuterschool, zittend op de stenen dorpel van een deuropening, bladerend door een strip van Langteen en Schommelbuik, getekend door Jef Nys.
Mijn ouders zorgden steeds voor een flinke voorraad nieuwe strips. In een kelderkast bewaarde mijn vader alle strips die hij tijdens z'n eigen jonge jaren uit de krant had geknipt. Al deze knipsels had hij destijds zelf tot boekjes gebundeld, met een schutblaadje van gekleurd papier en daarop de titel. Zo kwam ik in contact met de voorlopers van de stripcultuur zoals ik die kende: krantenstroken getekend door Gommaar Timmermans (Fideel de fluwelen ridder) of Raymond Macherot (Chlorophyl). De ontdekking van deze boekjes was te vergelijken met het vinden van een schat. Hier kon ik nog jaren mee aan de slag!

Het eerste boek van Nonkel Bob bijvoorbeeld, met heel wat mooie illustraties, een beetje uitleg over gitaarakkoorden en ideetjes voor knutselwerkjes, maar er lagen ook stichtelijke boeken over verschijningen van Moeder Maria aan eenvoudige boerendochters of het godvruchtige werk van Vlaamse missionarissen in het verre Afrika. In het boekje Goudkorrels uit Transvaal, uit 1930, bestudeerde ik de foto's van een melaatse man zonder vingers en tenen, een bedelende eekhoorn en van enkele huilende Afrikaanse kindjes in een struisvogelnest. Na het overlijden van mijn grootmoeder en de verhuis van mijn grootvader naar het verzorgingstehuis, zorgde ik er voor dat al deze boeken niet verloren zouden gaan. Zorgvuldig bewaar ik ze in mijn kelder. Ze ruiken nog steeds heerlijk muf, een beetje naar de slaapkamer waarin ze decennialang hebben gelegen.

In het eerste middelbaar kon het echte leeswerk pas echt beginnen. In mijn jaren aan het Sint-Jozefscollege van Herentals, tussen 1984 en 1987, las ik enorm veel boeken van bekende jeugdschrijvers uit die tijd: Karel Verleyen, René Swartenbroeckx of Peter de Rooy. Van die laatste herinner ik me nog De duvelstoejager van het Wapen van Hoorn, over een weesjongen die als verstekeling aan boord klom van een schip van de Oost-Indische Compagnie en na zijn ontdekking ingezet werd als duvelstoejager - een soort manusje-van-alles - om uiteindelijk weer voet aan land te zetten als een volwaardig bemanningslid.

Elke week ook las meneer Ooms, onze klastitularis en leraar Nederlands, ons voor uit Boris (van Jaap ter Haar), Pjotr of Oorlogswinter (beide van Jan Terlouw). Hoe heerlijk was het, om tijdens zo'n lesuur gewoon weg te mogen dromen bij de woorden die hij in zo'n keurig Nederlands voorlas. Jongens op zoek naar eten tijdens een oorlog, het vormde destijds blijkbaar een ideaal thema voor jeugdauteurs, terwijl mijn twee zussen enkele jaren later toch maar gewoon boeken bleken te lezen over pony's en ballerina's.

Gerda Van Cleemput, ook een bekende schrijfster, was destijds redactrice van een jongerenbijlage bij Gazet van Antwerpen, het Ketnet van mijn generatie. Als ik het mij goed herinner, stuurde zij mij - nadat ik eerder al eens enkele tekeningen had verstuurd die in dit stukje krant waren verschenen - een vragenlijst toe die ik haar ingevuld mocht terugzenden. In het artikeltje dat enkele dagen later in de krant verscheen, en dat ik recent terugvond tussen mijn grootmoeders bewaarde knipsels, lees ik: "De boeken van Karel Verleyen zijn prima. Wat doen we met die muur, bijvoorbeeld. En de stripverhalen van de Rode Ridder zijn ook tof."
Ik tekende stripverhaaltjes over mijn leraars. Dat herinner ik me nog goed. Meneer Lathouwers van wiskunde en biologie, liet ik daarin opdraven als een soort mislukte superheld. En mijn hemeltje, mijn lievelingsmuziek bleek toen nog orgelmuziek te zijn. Dat komt omdat ik niks anders kende. Van mijn vader moest ik, net zoals hij, kerkorgellessen volgen aan de muziekschool, met of tegen mijn zin. Dat duurde net zo lang tot het voor hem uiteindelijk te gênant werd om nog langer, wachtend op z'n eigen beurt, mijn lessen bij te wonen. Thuis waren we overigens al blij wanneer er eens een vinylplaat van Louis Neefs of Will Tura werd opgelegd, in plaats van de zoveelste Bach.

Maar op een dag, in het tweede middelbaar, zat ik met open mond te luisteren naar een klasgenoot die een spreekbeurt hield over The Beatles. Sinds die dag konden alle kerkorgels ter wereld voorgoed de boom in. Van de klasgenoot in kwestie kreeg ik een zelfopgenomen cassette met daarop Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en een selectie uit de blauwe verzamelelpee 1967-1970.  Ik trok ook naar de bibliotheek om er alles bij elkaar te rapen wat ik over The Beatles kon vinden, zowel boeken als vinylplaten. Sindsdien bestond mijn favoriete lectuur een tijdlang uitsluitend nog uit boeken, soms Engelstalig, geschreven door mensen die ooit van ver of nabij iets met The Beatles te maken hadden gehad: Yesterday - The Beatles Remembered, door Alistair Taylor & Martin Roberts, of The Love You Make: An Insider's Story Of The Beatles, door Peter Brown & Steven Gaines, zijn daar tweede goede voorbeelden van. Dit waren overigens, denk ik, de eerste boeken die ik zelf ooit heb gekocht. Het hechte clubje dat The Beatles vormden deed me ook denken aan een Amerikaanse tv-serie die ik graag volgde, The A-team, over vier Vietnamveteranen met erg uiteenlopende karakters: een slimme, een sterke, een knappe en een rare. Op een minder karikaturale manier beantwoordden The Beatles aan dit patroon. En dan was er natuurlijk nog de muziek! Het was nog een kwestie van tijd voor ik mijn eerste gitaar zou kopen om zelf liedjes te schrijven.