De levendige verbeelding

'Bewondering vergt niet veel van ons, behalve een levendige verbeelding.'   Alain de Botton (2013), Kunst als therapie, uitgeverij Terra Lannoo

Mijn naam is Bert Leysen.

Ik werd geboren op 27 december 1972 in Herentals en groeide op in een bescheiden dorpje in de Kempen. Een televisietoestel was in de jaren 1970 nog iets speciaals. Als kleutertje mocht ik graag naar Beertje Colargol, de Berenboot of Bolke de Beer kijken. In feite waren zulke kinderseries slechts poppenkastverhaaltjes, met veel gepraat en weinig actie, maar wanneer ik er aan terugdenk word ik daar heerlijk nostalgisch van.

Stilaan mocht het allemaal een versnelling hoger. Bijna een tiener, keek ik op tv naar herhalingen van stokoude series, zoals Kapitein Zeppos of Axel Nort, of naar meer 'moderne' series. In de verhaaltjes van De Kat, Het Veenmysterie of Merlina vielen helden duidelijk te onderscheiden van slechteriken. Vaak was het beschermen van de natuur tegen sluikstorters een belangrijk streefdoel, en samenwerken was superbelangrijk. Het waren deze avonturen die we de volgende dag op de speelplaats van de jongensschool naspeelden.

Apetrots was ik aan het einde van het vijfde studiejaar, toen ik van meester Vissers, als beloning voor een mooi opstel of een goed rapport, een boek uit zijn stapel mocht kiezen om thuis te lezen tijdens de zomervakantie. Het werd Axel Nort overwint, het vervolg op Axel Nort, een boek dat ik al in m'n bezit had omdat het ooit nog van mijn moeder was geweest. Ik had 't al talloze keren herlezen, telkens wanneer ik bij m'n grootouders logeerde. Nu kwam ik eindelijk te weten hoe dit spannende verhaal in twee delen afliep. Wat een prijs, zeg!

Overigens lag op hetzelfde nachtkastje bij m'n grootouders nog een hele stapel andere boeken die ik gretig las.

Hierbij moet ik nu helaas toegeven dat mijn interesse in andere lectuur op dat moment erg beperkt was. Cujo, uit 1982, was het eerste boek van Stephen King dat ik las. Mijn vader had het gekocht of geleend, want het slingerde in de woonkamer. Ik hoefde 't maar op te pikken. Gedurende een korte periode moet dit genre mij wel gelegen hebben, want hierna las ik nog een handvol andere boeken van deze schrijver: Carrie, Christine, It... Eigenlijk alles wat ik van Stephen King op dat moment in de bib kon vinden. Naast boeken van Stephen King ontleende ik daar vooral ook vinylplaten, van artiesten en bands die ik amper of helemaal niet kende. Ik bekeek de covers en pikte er op goed geluk iets uit. Zo kwam ik terecht bij David Bowie (Diamond Dogs), Pink Floyd (Atom Heart Mother) en Yes (Close to the Edge), stuk voor stuk artiesten wiens werk een geweldig sterke indruk op mij maakte. Het was een kwestie van tijd voor ik zelf liedjes zou gaan schrijven.


In 1992 kocht ik mijn eerste gitaar en zat ik dagelijks op bus 42 naar Borgerhout, waar ik Grafische Kunsten studeerde. Mijn leraar Literatuurgeschiedenis, meneer Vander Beken, blies er mijn interesse in literatuur nieuw leven in. Dit kwam erg gelegen, gezien die urenlange busritten. Zo worstelde ik mij doorheen verschillende boeken die eigenlijk mijn petje te boven gingen. Van Herman Hesse, bijvoorbeeld (Siddharta, De Steppewolf, Narziss en Goldmund). Allicht las ik deze klassiekers niet allemaal uit, want ik herinner mij amper waarover ze precies gingen. Twee romans die mij tijdens deze ritten wél raakten, waren Brave New World (Aldous Huxley) en 1984 (George Orwell). Vooral dat laatste boek gooide mijn wereld volledig overhoop. Voor het eerst sinds lange tijd had ik weer het gevoel dat lezen de moeite waard kon zijn. Na al die mysterieuze flauwekul van King, las ik weer iets dat mij waardevol leek.

Maar tel al deze zaken even bij elkaar op: Diamond Dogs, 1984, Pink Floyds The Wall, een afgeleefde lijnbus en een miezerige Turnhoutsebaan om 7 uur 's ochtends, en begrijp dan dat ik mezelf niet erg lekker in m'n vel voelde. Mijn schoolwerk leidde tot niets. Mijn grafische werk was somber, maar niet artistiek.

Nu ik dat boek hier vermeldt, en de verfilming ervan aan mijn geheugen voorbijtrekt, met Tom Hanks en Audrey Tautou in de hoofdrollen, bedenk ik dat ik ook de film Le Fabuleux Destin d' Amélie Poulain (van cineast Jean-Pierre Jeunet) niet zomaar onvermeld mag laten.

Maar goed, dankzij de mysterieus-hitorische romans ontdekte ik dus nogmaals hoe aangenaam lezen kan zijn.

Sinds ik in 2006 afstudeerde als leerkracht PO/geschiedenis, en in 2018 ook als leraar Nederlands, ben ik steeds intensiever aan het lezen gegaan, en ook steeds minder kieskeurig geworden. Elk boek dat in de bibliotheek mijn aandacht weet te trekken, is een potentiële kanshebber. Ik lees ook niet enkel romans voor volwassenen. Om mijn publiek van twaalfjarige leerlingen met de best mogelijke jeugdboeken te kunnen omringen, wil ik op de hoogte zijn van wat er voor hen zoal te verkrijgen valt. Voor de bescheiden schoolbib die ik beheer, wil ik uitsluitend topboeken kunnen aankopen. Geen enkele leerling zou een ontleend boek ontgoocheld mogen terugbrengen.

Wanneer er op tv niets te beleven viel, las ik graag stripverhalen. Nog voor ik kon lezen, verslond ik de avonturen van Jommeke of Suske en Wiske. In een van mijn vroegste herinneringen vind ik mezelf terug, op de speelplaats van de kleuterschool, zittend op de stenen dorpel van een deuropening, bladerend door een strip van Langteen en Schommelbuik, getekend door Jef Nys.
Mijn ouders zorgden steeds voor een flinke voorraad nieuwe strips. In een kelderkast bewaarde mijn vader alle strips die hij tijdens z'n eigen jonge jaren uit de krant had geknipt. Al deze knipsels had hij destijds zelf tot boekjes gebundeld, met een schutblaadje van gekleurd papier en daarop de titel. Zo kwam ik in contact met de voorlopers van de stripcultuur zoals ik die kende: krantenstroken getekend door Gommaar Timmermans (Fideel de fluwelen ridder) of Raymond Macherot (Chlorophyl). De ontdekking van deze boekjes was te vergelijken met het vinden van een schat. Hier kon ik nog jaren mee aan de slag!

Het eerste boek van Nonkel Bob bijvoorbeeld, met heel wat mooie illustraties, een beetje uitleg over gitaarakkoorden en ideetjes voor knutselwerkjes, maar er lagen ook stichtelijke boeken over verschijningen van Moeder Maria aan eenvoudige boerendochters of het godvruchtige werk van Vlaamse missionarissen in het verre Afrika. In het boekje Goudkorrels uit Transvaal, uit 1930, bestudeerde ik de foto's van een melaatse man zonder vingers en tenen, een bedelende eekhoorn en van enkele huilende Afrikaanse kindjes in een struisvogelnest. Na het overlijden van mijn grootmoeder en de verhuis van mijn grootvader naar het verzorgingstehuis, zorgde ik er voor dat al deze boeken niet verloren zouden gaan. Zorgvuldig bewaar ik ze in mijn kelder. Ze ruiken nog steeds heerlijk muf, een beetje naar de slaapkamer waarin ze decennialang hebben gelegen.

In het eerste middelbaar kon het echte leeswerk pas echt beginnen. In mijn jaren aan het Sint-Jozefscollege van Herentals, tussen 1984 en 1987, las ik enorm veel boeken van bekende jeugdschrijvers uit die tijd: Karel Verleyen, René Swartenbroeckx of Peter de Rooy. Van die laatste herinner ik me nog De duvelstoejager van het Wapen van Hoorn, over een weesjongen die als verstekeling aan boord klom van een schip van de Oost-Indische Compagnie en na zijn ontdekking ingezet werd als duvelstoejager - een soort manusje-van-alles - om uiteindelijk weer voet aan land te zetten als een volwaardig bemanningslid.

Elke week ook las meneer Ooms, onze klastitularis en leraar Nederlands, ons voor uit Boris (van Jaap ter Haar), Pjotr of Oorlogswinter (beide van Jan Terlouw). Hoe heerlijk was het, om tijdens zo'n lesuur gewoon weg te mogen dromen bij de woorden die hij in zo'n keurig Nederlands voorlas. Jongens op zoek naar eten tijdens een oorlog, het vormde destijds blijkbaar een ideaal thema voor jeugdauteurs, terwijl mijn twee zussen enkele jaren later toch maar gewoon boeken bleken te lezen over pony's en ballerina's.

Gerda Van Cleemput, ook een bekende schrijfster, was destijds redactrice van een jongerenbijlage bij Gazet van Antwerpen, het Ketnet van mijn generatie. Als ik het mij goed herinner, stuurde zij mij - nadat ik eerder al eens enkele tekeningen had verstuurd die in dit stukje krant waren verschenen - een vragenlijst toe die ik haar ingevuld mocht terugzenden. In het artikeltje dat enkele dagen later in de krant verscheen, en dat ik recent terugvond tussen mijn grootmoeders bewaarde knipsels, lees ik: "De boeken van Karel Verleyen zijn prima. Wat doen we met die muur, bijvoorbeeld. En de stripverhalen van de Rode Ridder zijn ook tof."
Ik tekende stripverhaaltjes over mijn leraars. Dat herinner ik me nog goed. Meneer Lathouwers van wiskunde en biologie, liet ik daarin opdraven als een soort mislukte superheld. En mijn hemeltje, mijn lievelingsmuziek bleek toen nog orgelmuziek te zijn. Dat komt omdat ik niks anders kende. Van mijn vader moest ik, net zoals hij, kerkorgellessen volgen aan de muziekschool, met of tegen mijn zin. Dat duurde net zo lang tot het voor hem uiteindelijk te gênant werd om nog langer, wachtend op z'n eigen beurt, mijn lessen bij te wonen. Thuis waren we overigens al blij wanneer er eens een vinylplaat van Louis Neefs of Will Tura werd opgelegd, in plaats van de zoveelste Bach.

Maar op een dag, in het tweede middelbaar, zat ik met open mond te luisteren naar een klasgenoot die een spreekbeurt hield over The Beatles. Sinds die dag konden alle kerkorgels ter wereld voorgoed de boom in. Van de klasgenoot in kwestie kreeg ik een zelfopgenomen cassette met daarop Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en een selectie uit de blauwe verzamelelpee 1967-1970.  Ik trok ook naar de bibliotheek om er alles bij elkaar te rapen wat ik over The Beatles kon vinden, zowel boeken als vinylplaten. Sindsdien bestond mijn favoriete lectuur een tijdlang uitsluitend nog uit boeken, soms Engelstalig, geschreven door mensen die ooit van ver of nabij iets met The Beatles te maken hadden gehad: Yesterday - The Beatles Remembered, door Alistair Taylor & Martin Roberts, of The Love You Make: An Insider's Story Of The Beatles, door Peter Brown & Steven Gaines, zijn daar tweede goede voorbeelden van. Dit waren overigens, denk ik, de eerste boeken die ik zelf ooit heb gekocht. Het hechte clubje dat The Beatles vormden deed me ook denken aan een Amerikaanse tv-serie die ik graag volgde, The A-team, over vier Vietnamveteranen met erg uiteenlopende karakters: een slimme, een sterke, een knappe en een rare. Op een minder karikaturale manier beantwoordden The Beatles aan dit patroon. En dan was er natuurlijk nog de muziek!

Ik kon er mijn ouders van overtuigen dat ik maar beter op kot kon gaan. De buurt rond het Stuivenbergziekenhuis was echter grauw en somber, en uiteindelijk begon het met mijn studies serieus bergaf te gaan. Gaandeweg vond ik het interessanter om met mijn gitaar naar het stadscentrum te trekken en zo wat 'bij te klussen'. 's Avonds zocht ik andere straatmuzikanten op of las ik de boeken van Roald Dahl. Niet diens kinderboeken uiteraard, maar zijn 'echte' romans, zoals Oom Oswald - een heerlijk smerig boekje - en zijn autobiografische boeken Boy en Going Solo, over zijn ervaringen als oorlogspiloot. Ook aan de kortverhalen van Dahl beleefde ik enorm veel plezier. Helaas, zo'n tiental boeken later had ik alles wat in Antwerpen van deze auteur beschikbaar was, uitgelezen.

Ik verhuisde naar een appartementje aan de Lange Nieuwstraat, vlakbij de toenmalige bibliotheek en niet zo ver van boekhandel De Sleghte. Mijn tijd als student zat er op. Ik kon het niet meer opbrengen om nog terug te keren naar de hogeschool en was vooral bezig een manier te zoeken om op een andere manier in de stad te overleven. In die periode, ergens tussen 1996 en 2000, maakten overigens zowel gsm's als internet hun intrede in het dagelijkse leven. Met mijn lenerskaart mocht men in de bib één uur per dag op internet, wat ik dan ook deed. Alleen wist ik niet waarnaar ik op zoek was.
Qua lectuur beperkte ik mij tot biografieën van kunstenaars en muzikanten: Edvard Munch, Claude Monet, Bob Dylan, Leonard Cohen. De Beatles brachten intussen ook hun eigen biografie uit, The Beatles Anthology.

Tijdens de overgang van 1999 naar het jaar 2000 werkte ik als dj in een skigebied in de Franse Alpen. Daar las ik drie boeken: een biografie over Nick Drake, eentje over The Band en A Cure for Gravity, de autobiografie van songschrijver Joe Jackson.

In 2003 begreep ik dat ik eigenlijk toch een diploma nodig had. Mijn voormalige kotgenoten had ik een aardig handje geholpen met de tekenopdrachten voor hun lerarenopleiding, en ik besefte dat ik al dat tekenwerk evengoed voor eigen rekening had kunnen doen. In functie van mijn eigen lerarenopleiding plastische opvoeding en geschiedenis begon ik historische romans te lezen, zoals Pompeii en de schitterende Cicero-trilogie (Imperium, Lustrum en Dictator) van Robert Harris. Maar ook fictieromans met een geschiedkundige insteek konden mij bekoren. In de nasleep van het succesvolle De Da Vinci-code (van Dan Brown) werden enorm veel gelijkaardige boeken uitgebracht van auteurs die in hetzelfde vijvertje wilden vissen. Ik verslond boeken als Het Sixtijnse geheim, Het graf van Campo Santo en De achtste zonde (van Philipp Vandenberg), De koepel van Brunelleschi, Leonardo en het Laatste Avondmaal (van Ross King), Het Messias-mysterie (van Andreas Eschbach). De Da Vinci-code vond ik overigens niet opvallend veel beter dan de meeste andere boeken binnen ditzelfde genre.