Volwassenen

Coetzee, J.M. (2013/2016/2019), De kinderjaren van Jezus, De schooldagen van Jezus, De dood van Jezus, Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam

Laat u niet misleiden: de 'Jezus'-trilogie van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee gaat, verrassend genoeg, niet over het leven van Jezus Christus. Nergens in deze drie boeken valt de naam Jezus te bespeuren. Er komen wel enkele Bijbelse namen in voor, maar daarmee houdt het dan ook op. De trilogie vertelt het verhaal van een jongetje, David, en lijkt zich af te spelen in één of ander denkbeeldig land waar Spaans de voertaal is. De verteller is Simon, een wat oudere man die de ouderloze kleuter tijdens de bootreis naar het nieuwe thuisland onder z'n vleugels neemt. Eenmaal aangekomen in dat nieuwe land gaat Simon op zoek naar een surrogaatmoeder voor het kind.

'Zijn ouders... Dat is de reden dat we hier vandaag zijn. De jongen heeft geen ouders, niet op de gebruikelijke manier. Er is een ongelukje gebeurd aan boord van de boot, op weg hiernaartoe. Er is een brief zoekgeraakt die alles had kunnen verklaren. Als gevolg daarvan zijn z'n ouders vermist, of beter gezegd, is hij vermist. Hij en zijn moeder zijn van elkaar gescheiden, en we proberen haar te vinden. Zijn vader is een ander verhaal. (...) Wilt u overwegen hem te nemen?' (...) 'Ik begrijp het niet. Ik begrijp er helemaal niets van. Stelt u voor dat ik de jongen adopteer?' (pag. 87/88)

Het land waar dit verhaal zich afspeelt, heeft iets onwezenlijks. Een groot deel van de mensen die er leven, zo niet allemaal, zijn vluchtelingen. Het zijn stuk voor stuk ontheemde mensen die hun identiteit volledig moesten achterlaten bij hun tocht naar het nieuwe land. Hun verleden zijn ze vreemd genoeg vergeten. Let op, dit gegeven komt maar sporadisch tot uiting in deze trilogie. Het is geen essentieel gegeven waaraan het verhaal volledig wordt opgehangen. Het zorgt eerder voor een situatie waarbij alle personages kunnen kiezen uit een hele resem kansen die hen worden aangeboden, zodat zij van hun nieuwe leven het beste kunnen maken. Al deze gewezen vluchtelingen hebben iets goeds in zich, afhankelijk en kwetsbaar als ze zijn. Havenarbeiders praten er op los als volleerde Griekse filosofen, ambtenaren gaan werkelijk op zoek naar wat hen de beste oplossing lijkt voor hun cliënten en mensen zonder duidelijk levensdoel vinden er zelf eentje uit. Het doel van Simon is het kind David op te voeden tot een nuchtere jongen die op de hoogte is van hoe de wereld in elkaar zit. Helaas voor hem is de jongen koppig, tegendraads en dromerig. Die heeft geen oren naar Simons vaderlijke goede raad en feitenkennis.

Voor het eerst komt het in hem op dat dit misschien niet alleen maar een intelligent kind is - er zijn zoveel intelligente kinderen op de wereld - maar iets anders, iets waar hij op dit moment geen woord voor heeft. Hij steekt zijn hand uit en schudt de jongen zachtjes door elkaar. 'Zo is het genoeg,' zegt hij. 'Genoeg geteld.' De jongen schrikt. Zijn ogen gaan open, zijn gezicht verliest zijn verzonken, afwezige blik en grimast. 'Raak me niet aan!' gilt hij met een vreemde, hoge stem. 'Zo vergeet ik het! Waarom laat je me het vergeten? Ik haat je!' (pag. 174)

De opvoeding van de jongen is geen succes. Ook op school wil David niet meewerken. De leerkracht die hem onder zijn hoede neemt, wordt er al snel moedeloos van. Simon en Inés halen hem voorgoed van de school af, dreigen hem daardoor te moeten afstaan aan de autoriteiten en slaan vervolgens op de vlucht.

In het tweede boek belandt het 'nieuw samengestelde gezin' in een andere stad, Estrella. Ze schrijven er David in aan een dansacademie, gerund door een koppel dat er ietwat vreemde leermethodes op nahoudt. David leert er geen wiskunde of grammatica, maar leert er dansen volgens de stand van de sterren. Of zoiets... Want ook voor de lezer blijft er hier en daar wel iets te vaag om helemaal te kunnen doorgronden. Ook de eeuwig pragmatische Simon begrijpt niks van de school, en nog minder van de grillen en wensen van zijn aangenomen zoon.

'Onze academie legt zich erop toe de ziel van de leerlingen in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum of, zoals wij het liever noemen, de dans van het universum. Om de getallen te laten neerdalen waar ze verblijven, om te zorgen dat ze zich manifesteren in ons midden, ze gestalte te geven, verlaten we ons op de dans. Ja, hier op de academie dansen we, niet op een onelegante, vleselijke of wanordelijke manier, maar met lichaam en ziel tezamen, om de getallen tot leven te brengen. (...) Als mijn woorden vanavond duister lijken, beste ouders, beste vrienden van de academie, dan toont dat alleen maar hoe zwak woorden zijn. Woorden zijn zwak - daarom dansen we. (...) Sommigen van u - ik zie het aan uw blikken - blijven sceptisch.' (pag. 82)

In dit tweede boek duikt een personage op dat bijdraagt aan Simons verwarring. Dmitri is aanvankelijk een schimmige figuur, een zwaargebouwde eenzaat, die achter de schermen van de academie een vrijwillig steentje bijdraagt, uit liefde voor de oprichtster ervan, Ana Magdalena Arroyo. Simon is niet zeker hoe hij zich tegenover deze man dient te gedragen, want hij wantrouwt hem. Terecht, zo zal blijken, want op cruciale momenten staat Dmitri op, trekt het verhaal naar zich toe en stort iedereen in de ellende.

'Als ik in de schoenen van uw zoon stond zou ik dag en nacht misbaar maken om op de academie te mogen. U kunt uw andere opties vergeten, wat die ook zijn.' Hij weet niet zeker of deze Dmitri hem bevalt, met zijn stinkende kleren en zijn vettige haar. Wat hem in elk geval niet bevalt is om in het openbaar zo heftig door hem te worden toegesproken (het is halverwege de ochtend, de straten zijn vol mensen). 'Nou,' zegt hij, 'dat maken we zelf wel uit, nietwaar Inés? En nu moeten we verder. Tot ziens.' Hij neemt de jongen bij de hand; ze lopen weg. In de auto zegt de jongen voor het eerst iets. 'Waarom mag je hem niet?' 'Die suppoost? Het is geen kwestie van mogen of niet mogen. Hij is een onbekende. Hij kent ons niet, kent onze omstandigheden niet. Hij zou zijn neus niet in onze zaken moeten steken.' (pag. 58)

Mijn fantasie kwam uit bij de veel te vroeg overleden acteur Massimo Troisi (Il Postino) als perfecte kandidaat voor de rol van Simon.

In het derde boek is David tien jaar en voetbalt hij elke week met zijn vrienden. Op een dag nodigt de directeur van een naburig weeshuis de jongens uit om een wedstrijdje tegen de weeskinderen te spelen. Maar David gaat nog een stapje verder. Aangezien Simon en Inés toch zijn echte ouders niet zijn, besluit hij zijn intrek te nemen in het weeshuis. Steeds meer verliezen Simon en Inés hun greep op hem. Wie is deze jongen nu eigenlijk? En wie zijn z'n adoptieouders nog zonder hem?

'Naar mijn mening, jongeman, ben jij degene die het niet begrijpt. Je hebt tot dusver een erg makkelijk leventje geleid. Je moeder en ik hebben je je zin gegeven zoals geen enkel normaal kind ooit zijn zin krijgt, omdat we erkennen dat je uitzonderlijk bent. Maar ik begin me af te vragen of je wel begrijpt wat het betekent om uitzonderlijk te zijn. In tegenstelling tot wat je veronderstelt betekent het niet dat je maar kunt doen wat je wilt. Het betekent niet dat je alle regels maar aan je laars kunt lappen. Jij voetbalt graag, maar als je de voetbalregels aan je laars lapt zal de scheidsrechter je van het veld sturen, en terecht. Niemand staat boven de wet. Er bestaat niet zoiets als een uitzondering op iedere regel. Een algemene uitzondering is een contradictio in terminis. Dat raakt kant noch wal.' 'Ik heb dr. Julio over jou en Inés verteld. Hij weet dat jullie niet mijn echte ouders zijn.' (pag. 28)

Dan valt David ten prooi aan een vreemde ziekte, die niet benoemd wordt, maar die hem in het ziekenhuis terecht laat komen. Daar verzamelt hij, vreemd genoeg, een publiek om zich heen dat zijn verhalen wil horen. Simon en Inés worden eigenlijk steeds meer buitenspel gezet. Hun eigen lot en dat van hun aangenomen zoon wordt hen uit handen genomen.

 'Ik zal tekenen als Davids voogd. Ik ben het grootste deel van zijn leven al Davids voogd.' Bij terugkomst in de zaal treft hij zo'n gedrang rond het bed aan dat David zelf niet te zien is: niet alleen zuster Rita en de onderwijzeres met de gouden krullen en lange oorbellen, senora Devito, maar ook een stuk of zes jongens uit het appartementencomplex en twee kinderen die hij herkent uit het weeshuis, Maria Prudencia en een heel lange, dunne knaap wiens naam hij niet kent. Dmitri is er ook. Hij leunt tegen de muur aan de andere kant terwijl hij hem sardonisch aankijkt. David is aan het woord. (pag. 81)

Steeds vaker vallen er hier en daar eventuele overeenkomsten te vinden tussen dit boek en Bijbelse verhalen - er sterft zelfs een onschuldig lam - maar neen, een roman over de dood van Jezus Christus is dit niet. Hoogstens wil dit boek aangeven dat een reïncarnatie van Christus in een andere tijd en op een andere plaats (en in een ander, kinderlijk lichaam) misschien geen kans zou hebben gehad om gehoord te worden. Deze trilogie van Coetzee is fijne leeskost, in ieder geval. Nadenken over wat je als lezer nu precies achter de kiezen hebt, kan altijd na afloop nog.

****

Boyne, J. (2021), De reiziger, Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

Het kan geen toeval zijn: net wanneer je jezelf hebt voorgenomen eens wat minder te gaan lezen - een kwestie van wat tijd in andere zaken te stoppen - bereikt het nieuwe schrijfsel van John Boyne de boekhandel. Dat kan je dan niet laten liggen natuurlijk, want Boyne staat garant voor degelijke, intelligente en vlot leesbare romans. In deze nieuwste roman besluit de schrijver een interessante aanpak te hanteren. Hij schrijft een tijdloos verhaal neer - over liefde, wraak en familiebanden - dat zich zou kunnen afspelen in elke tijdperiode, op eender welke plaats ter wereld. In elk hoofdstuk is de protagonist een andere persoon, maar met een vergelijkbare achtergrond en telkens ook dezelfde drijfveren. De man is een creatieve ziel - verguisd door een ruwe en meedogenloze vader - die zich liever in stilte en alle eenvoud zou willen concentreren op zijn ambacht, dan de omstandigheden die hem dwingen om de wereld in te trekken onder ogen te moeten komen. Maar het is nu eenmaal zo. Vanuit een diepgeworteld wraakgevoel zal de Cypriotische juwelenmaker / de Guatemalteekse sandalenmaker / de Hongaarse kleermaker de wereld intrekken om af te rekenen met de moordenaar van zijn vrouw en kind.

Ierland - het jaar 800

Toen ik bij het klooster aankwam hoopte ik alleen maar vrede te vinden. Aanvankelijk voelde ik een zekere schroom als ik dacht aan het naderen van de toren, omdat ik niet wist of ik, een man zonder strikte religieuze regels, zou worden weggestuurd van een plaats waar kloosterlingen woonden.  Maar nadat ik een paar uur in een veld met mijn rug tegen een wilg had gezeten en alles had gedaan om de schijn van onschuld te wekken, zodat alle monniken die me vanaf  hun kantelen zouden observeren gerustgesteld zouden zijn en wisten dat ik geen bedreiging vormde voor hun leven, ging er aan de voet van de vesting een deur open en kwam er een oudere man in een bruin gewaad naar buiten. Hij monsterde me langdurig, waarna hij behoedzaam naar links en naar rechts keek om te zien of ik alleen was en me toen riep om naderbij te komen met een gelaatsuitdrukking die de indruk wekte dat ik zonder meer werd geaccepteerd. Zonder een woord te zeggen ging hij me voor door de stenen ommuring en een wenteltrap op; eenmaal boven klopte hij op een houten deur en wachtte totdat een stem riep dat we binnen mochten komen. Toen we dat hadden gedaan, stond ik in een koude, spaarzaam ingerichte kamer met stenen muren, waar ik ging zitten tegenover broeder Finbar, een man met een gladgeschoren tonsuur, en met een vinger tegen mijn lippen tikte om aan te geven dat ik mijn spraakvermogen verloren was.  (pag. 191)

Uiteraard biedt zo'n virtuele tocht doorheen tijd en ruimte de perfecte gelegenheid om bekende figuren als Attila de Hun, William Shakespeare of Michelangelo Bunarotti op te voeren in een figurantenrol. Maar dit concept werkt anderzijds ook zeer beperkend. Het biedt de schrijver weinig gelegenheid om iets grondig uit te diepen. Nog voor Columbus op het punt staat effectief uit te varen, verschuiven tijd en plaats alweer zo drastisch dat de context andermaal zichzelf vernietigt. Het pleit voor de kwaliteiten van Boyne als schrijver dat hij hiermee de lezer toch nooit ontmoedigt. Nauwgezet bewaakt hij de continuïteit van zijn basisverhaal, zodat de kostbare rode draad op geen enkel moment verloren gaat. Of het verhaal nu verschuift van IJsland naar Mozambique, of van India naar Argentinië, de protagonist blijft te allen tijde een vertrouwde figuur in wiens denkpatronen de lezer zich kan herkennen.

Mozambique - het jaar 1000

Het duurde haast een maand voordat ik weer op de been was; ik had mijn linkerarm, verschillende ribben en mijn rechterenkel gebroken. De oude dame, die me vertelde dat ze Tozia heette, had ze voor het genezingsproces allemaal gespalkt met houtspaanders. (...) Die avond ging ik bij de zee zitten en maakte plannen voor de boot die ik zou bouwen als ik volledig hersteld was, een veiliger vaartuig dan de boot waarmee ik op die plek was beland, en voor het eerst vroeg ik me af of mijn missie eigenlijk wel de moeite waard was. Mijn neef verdiende het uiteraard te worden opgespoord voor wat hij had gedaan, maar zou het mij enige voldoening geven als ik hem doodde, vooral nu het de levens van drie onschuldige mensen had gekost? (pag. 239)

Pas in de laatste hoofdstukken gaat John Boyne, naar mijn gevoel net iets te ver. Nadat de protagonist op pagina 415 zijn missie heeft voltooid, besluit de schrijver zijn concept van een verhaal doorheen tijd en ruimte nog zo'n tachtig bladzijden vol te houden. Hij vertilt zich een beetje door er op een ietwat geforceerde manier nog een hoofdstukje over de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 tegenaan te gooien, en alsof dat nog niet niet volstaat ook nog eens af te ronden met een vleugje science-fiction. Het zijn enkele dessertjes te veel op een volle maag, maar dit doet weinig of geen afbreuk aan alles wat voorafging. De reis is fantastisch en de gids bedreven.

****

Ernaux, A. (2020), De jaren, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam

Er werd niets weggegooid. Nachtemmers dienden als mest voor de tuin, paardenvijgen, opgeraapt als er op straat een paard was langsgekomen, om bloembakken te onderhouden, de krant om groente in te wikkelen, om de binnenkant van natte schoenen te drogen, om je af te vegen op de wc. Alles om je heen was schaars. Spullen, beelden, pleziertjes, inzichten ter verklaring van jezelf en de wereld, die beperkt bleven tot de catechismusles en de vastenpreken (...), tot de verhalen van vrouwen die 's middags rond een glas koffie hun levensverhaal en dat van hun buren deden. Kinderen bleven lang geloven dat de kerstman bestond en dat baby's in een roos of een kool werden gevonden. De mensen verplaatsten zich te voet of op de fiets in een gestage beweging, de mannen met de knieën wijd, hun broekspijpen samengeknepen met knijpers, de vrouwen met hun billen op het zadel omspannen door hun jurk, ze tekenden vloeiende lijnen door de rustige straten. Stilte was de achtergrond van de dingen en de fiets de maat voor de snelheid van het leven. Je leefde in de nabijheid van stront. Die was om te lachen. (pag. 34/35)

Dit was het dan: het boek dat mij tijdelijk dwingt te stoppen met lezen en zelf aan de slag te gaan. Gewoon willekeurig van de plank met nieuwe boeken in de boekhandel geplukt, had ik net kunnen vermoeden wat deze roman in mij zou losmaken. Ik ben nu vervloekt, gedwongen om me te verstoppen achter de verhalen van anderen en er zelf eens aan te beginnen, want de tijd staat niet stil en elke dag verdwijnen er talloze verhalen die niet werden opgeschreven.

In De Jaren beschrijft Annie Ernaux op poëtische wijze hoe ze uit een eenvoudig milieu komt en de wereld intrekt, de sociale ladder beklimt, daarbij steunend op oude tradities en gewoontes, en met verwondering gadeslaat hoe alles om haar heen voortdurend in verandering is. Nonkels en tantes die op familiefeestjes herinneringen ophalen aan de oorlogsjaren maken gaandeweg plaats voor kinderen en kleinkinderen die discussiëren over moderne zaken die ze zelf amper nog kan vatten.

Na de koffie sloten ze enthousiast de nieuwe Nintendo spelconsole, de Wii, aan op de tv, deden virtuele tennis- en bokspartijtjes, gingen schreeuwend en vloekend tekeer voor het scherm, terwijl de kleintjes onvermoeibaar in alle kamers verstoppertje speelden en hun over het parket verstrooide cadeaus van een dag eerder lieten voor wat ze waren. We keerden naar de tafel terug voor de verkoeling van een Perrier of een cola. Stiltes verraadden dat het vertrek naderde. Er werd op horloges gekeken. We kwamen boven uit de wijzerloze tijd van het feestmaal. Speelgoed en knuffels werden bijeengeraapt, samen met alle attributen van de zuigelingenzorg die elk bezoek vergezelden. Na innige omhelzingen en bedankjes bij wijze van afscheid kwam het bevel aan de kinderen om een kusje te geven en de vraag in de rondte: 'hebben we alles?' De privéwerelden van stellen vormden zich weer en verspreidden zich in de respectieve auto's. De stilte overviel ons. (pag. 218)

Zonder eenduidig verhaal, zelfs zonder hoofdrolspeler of figuranten, leidt Ernaux haar lezers van punt a naar punt b doorheen de tijd. Haar herinneringen leunen heel erg op de Franse cultuur en zijn ook heel erg vrouwelijk, maar de meeste zaken die ze oprakelt zijn universeel en dus zeer herkenbaar, althans voor de gevorderde lezer die zelf al enige leeftijd heeft bereikt. Een jonge lezer zal aan dit boek weinig of geen boodschap hebben. Het is een historisch-filosofisch boek, eenvoudig en zonder specifiek te zijn wat betreft jaartallen en details. Het is geniaal verwoord en schitterend opgebouwd, maar anderzijds toch ook weer nét iets teveel tijd-, plaats- en persoonsgebonden om écht te kunnen beklijven. Maar het zegt wel: iedere persoon heeft z'n eigen verhaal, en verhalen dienen te worden onthouden voor zover dat mogelijk is. Dus ga ik eens aan de slag en ga ik zelf het een en ander noteren. Laat mijn stapel 'nog te lezen boeken' nu maar even aandikken.

***

Olyslaegers, J. (2020), Wildevrouw, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam

Wanneer een vent drie vrouwen aan de aarde heeft moeten toevertrouwen, de een na de ander, en twee van hen ook nog eens deze wereld hebben verlaten met een bijna voldragen kind in hun buik, dan acht hij zijn zaad vervloekt. De laatste stierf vlak nadat ze een zoon ter wereld had gebracht. De eerste twee kwamen zelfs niet aan baren toe. Beladen als een schip vol toekomst zonken ze weg in de diepte van de dood, nog voor ze met hun vracht wisten aan te meren. De eerste voelde zich geminacht en had schrik van mijn manieren, de tweede piste op mij vanop grote hoogte en deed alsof ik een ware stier was in bed, de derde keek in het zwart van mijn ogen en wist genoeg. (pag. 11)

Beer verloor drie vrouwen in het kraambed. Na al dat verlies acht hij zichzelf vervloekt. Vanuit Amsterdam blijkt hij terug op zijn jaren in het zestiende-eeuwse Antwerpen, de stad die hij ontvluchtte. Antwerpen floreerde in handel en geld, maar er heerste ook grote onrust. Beer maakte deze spanningen van dichtbij mee in zijn herberg waar vrije gedachten en zoete wijn vloeiden, maar waar ook plannen werden gesmeed door een geheim genootschap.

Wildevrouw begint als een klein, intiem verhaal, maar groeit dan al snel uit tot een veel groter, historisch epos. In een interview (zie link) vertelt de schrijver dat voor hem alles begon bij De Dulle Griet, een schilderij van Bruegel dat vandaag nog steeds te bekijken valt in het museum Mayer van den Bergh te Antwerpen: "Plots vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat Bruegel zo'n gruwelijk, apocalyptisch werk maakte in een nochtans bloeiende tijd. Die Dulle Griet wil overduidelijk iets zeggen, maar we weten nog steeds niet wat. We projecteren er meestal algemene dingen op zoals krijgsgeweld, hebzucht en drankzucht. Maar toch vraag je je af of er halverwege de zestiende eeuw niet iets aan het gisten was. Het boek vormde zich als antwoord op een vraag vanuit het niet-weten. Ik wilde een teletijdmachine maken."

Het pak dat ik aanhad maakte een ander wezen van me. De wildeman was voor mij geen monster uit het verleden, op sterven na dood. Het was ook geen zotskap die de waarheid zei of met bellen rinkelde dor de straten om de mensen te amuseren. De wildeman die ik telkens tijdens Lichtmis tot leven bracht, was voor mij misschien zelfs wel de ware gedaante van ons allemaal, ons oeroude verleden dat ons met elkander verbond. Ik dacht elke lente oprecht dat mijn verkleedpartij noodzakelijk was om Uw genade te verkrijgen over deze stad, ondanks de spot over oude ritualen. Ook de vrouwendood die me zo was komen tarten had me nooit van deze taak weerhouden. er waren jaren dat ik al mijn noodlottige wederwaardigheden vergat door dat spel met mijn wildemansbondgenoten op te voeren. (...) Toen mijn zoon me voor het eerst herkende achter het wildemansmasker, bespeurde ik geen angst in zijn ogen. Hij leek eerder overrompeld door zijn eigen nieuwsgierigheid over vaders nieuwe gedaante. Dat ontroert me nog steeds, zovele jaren later. (pag. 41/42)

In 1566 brengen hagenpreken duizenden toehoorders op de been en zet Willem van Oranje zich af tegen de calvinisten, die hij beschouwt als ordeverstoorders en oproerkraaiers. Hij heeft zelf dan weer een hoge pet op van de lutheranen. Als op 18 augustus de traditionele Onze-Lieve-Vrouweommegang uitgaat, wordt het grote Mariabeeld door een aantal omstaanders bespot en breekt een ware beeldenstorm uit. Kerken, kloosters, kapellen en godshuizen moeten er aan geloven, zowel binnen als buiten de stadsmuren. Het stadhuis wordt bewaakt door bewapende schutters. Tegen deze achtergrond van gebeurtenissen, waarin ook Beer zijn plaats dient te kennen, speelt Wildevrouw zich af. Het zijn turbulente tijden waarin de relaties tussen de Antwerpenaren onderling op scherp worden gezet. Wie valt nog te vertrouwen, en wie niet meer? Wie is nog integer, en wie zou zijn eigen vrienden aan de galg praten? En wie is die mysterieuze vrouw met kind op de zolderverdieping van Beers herberg?

Ge hadt vrouwen die voor de kerk gingen liggen op een of andere doek en iets smerigs in elkaar hadden geflanst met was en eieren, waarbij ze beweerden dat het een dood gedrocht was dat ze hadden gebaard uit miserie. Ge wist het u zo wanstaltig niet voor te stellen of dit radeloos volk deed het. Plots waren er evenveel soorten bedelaars als handelaars in deze stad. Daarna ging het snel van kwaad naar erger. (pag. 171)

****

van den Broeck, W. (2019), Niets voor de familie, uitgeverij Polis, Antwerpen

'U weet toch dat uw oom een genie was?' 'Euh... nee, eigenlijk niet.' (pag. 8)

Op een dag dagen drie architecten op aan Walter van den Broecks voordeur. Zij willen het graag met hem hebben over zijn nonkel Jaak, de man van zijn vaders zus, Heleen van den Broeck. De auteur moet z'n geheugen wakker schudden om over de man iets zinnigs te kunnen zeggen, liefst dan nog iets waar de drie wat aan kunnen hebben. Maar dat blijkt moeilijker dan gedacht. Dus zet de schrijver zich aan 't schrijven, en wij mogen over z'n schouder meelezen.

Op familiebezoeken waren zijn schaarse opmerkingen filosofisch en esoterisch van aard. Zolang hij ze beknopt in het midden kon gooien was er niets aan de hand, maar als hij er eens goed voor ging zitten, en aanstalten maakte om aan een uitweiding te beginnen, werd hem onmiddellijk het zwijgen opgelegd door mijn tante. 'Zwijg nu maar, babbelaar, en zuig nog wat aan uw tutter,' zei ze dan. Met 'tutter' bedoelde ze zijn meerschuimen pijp. En als hij haar opmerking negeerde, schreeuwde ze: 'Is 't nu gedaan, vuil janet!' (...) Zelf vond ik het niet verwonderlijk dat nonkel Jaak in de mist der tijden was verdwenen, eerlijk gezegd. Ik zag zelfs geen enkele reden waarom hij daar überhaupt ooit uit tevoorschijn moest treden. Enige ambitie daartoe had hij volgens mij nooit gehad. Integendeel, ik had zelfs de indruk dat hij alles in het werk had gesteld om onzichtbaar te blijven. (pag. 11)

Laagje voor laagje begint Walter van den Broeck het karakter van zijn nonkel Jaak af te pellen, waarna hij hetzelfde nog eens overdoet met zijn tante Leen (geboren als 'Grace' en binnen de familie ook bekend als 'tante Cruella'). Tenslotte, in het derde deel van zijn boek, koppelt de auteur de twee personages aan elkaar en ontleedt hij hun ietwat vreemde omgang met elkaar als getrouwd koppel op leeftijd. Wat het oplevert is geen spannend boek, maar een vrij eenvoudig psychologisch portret van twee aparte mensen die binnen een vertrouwde setting - de naoorlogse Antwerpse binnenstad, met uitstapjes naar Olen en Turnhout - troost zoeken bij elkaar. Het geheel leest als een trein. Van den Broeck is uiteraard een meesterlijke sfeerschepper als hij de tijd en plaats van zijn jeugd in beeld kan brengen. Als geen ander kan hij zijn lezers de pijptabak doen ruiken, het aanzicht van vergeelde boeken en leren pantoffels voor de geest doen halen en de platte uithalen van zijn vuilgebekte tante laten weerklinken. Voor wie zichzelf al eens graag onderdompelt in dat soort ouderwetse sfeertje, is Niets Voor De Familie uitstekend leesvoer.

In Jaaks atelier overvielen de verf- en tabaksgeuren haar als een warme deken. Ze voelde er zich veiliger dan thuis. Bleef dan ook zo lang mogelijk kletsen. Jaak was de eerste man in haar leven die ze kon vertrouwen. Ondanks zijn sombere verhalen en de lelijke schilderijen die boven de kasten hingen, zag zij in hem de vader die ze nooit had gehad, en de vriend aan wie ze alle roerselen kon toevertrouwen. Wat haar steeds terug deed keren, was het feit dat hij geen aanstalten maakte om haar het hof te maken. De eerste weken had ze zich opgetut alsof ze naar een feest ging. Maar dat let ze spoedig na, omdat ze geen argwaan wilde wekken bij Charles en omdat ze vond dat ze genoeg had aan haar natuurlijke schoonheid. (pag. 149)

***

Schildermans, L.J. (2020), De reis van de hofarts, Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam.

Er ging enig zoekwerk aan vooraf, maar L.J. Schildermans blijkt een pseudoniem te zijn voor niet één, maar twee (Antwerpse) auteurs, Ludo en Jozef Schildermans. De reis van de hofarts is de eerste historische roman  waar zij samen aan werkten. De cover van dit boek, naar een schilderij van de romantische schilder Caspar David Friedrich, trok mijn aandacht, maar bleek uiteindelijk weinig met het verhaal te maken te hebben.

In de winter van 1754 zendt keizerin Maria Theresia haar persoonlijke arts, Gerard van Swieten (een protagonist die echt heeft bestaan, zie illustratie), naar het zuiden van haar rijk. De streek wordt geteisterd door een reeks onverklaarbare sterfgevallen. Dat zorgt voor zoveel onrust, dat hele dorpen leeglopen en de grens van het Habsburgse Rijk onbewaakt achterblijft. Door een medische verklaring voor deze sterfgevallen te vinden, hoopt de keizerin deze leegloop te stoppen. De reis leidt de dokter van het mooie Wenen naar het hart van het duistere grensgebied. De reis valt hem zwaar. Honderden kilometers legt hij af per boot, koets en te paard. Maar wanneer hij zijn bestemming bereikt, wordt hij niet met open armen ontvangen. De plaatselijke gezaghebbers zitten immers niet te wachten op de stem van de rede.

Meteen dient zich een anatomische vergelijking aan: deze reis voert hem naar de darmen van het Rijk. Naarmate ze dieper het Hongaarse achterland binnendringen, krijgt hij immers het onbehaaglijke gevoel dat ze het licht van de beschaving achter zich laten en naar het hart van het duistere grensgebied varen. De nederzettingen langs beide oevers van de brede stroom worden zeldzamer en vaak geeft alleen een rookpluim tussen de heuvels aan dat er hier mensen wonen. Slechts sporadisch komen ze nog vaartuigen tegen. Meestal zijn die aangelijnd aan meerpalen en deinen ze mee op de stroming van de Donau. Aan boord is geen levende ziel te bespeuren. Hoe verder ze stroomafwaarts varen, hoe stelliger hij de indruk krijgt dat ze door een wereld glijden die onbewoond is. Bovendien is alles bedolven onder een laag sneeuw, zodat het landschap er kilometerslang eender uitziet. Het is dat de schuit beweegt onder een hemel vol jagende wolken, of hij zou bijna geloven dat ze stilstaan en voor eeuwig en altijd verdoemd zijn tot deze doodse plek op aarde. Hij wordt er somber van. Om niet toe te geven aan deze stemming, wil Van Swieten beginnen te werken. (pag. 76) 

Deze roman is goed opgebouwd, de vele verhaallijnen (o.a. de indrukken van de hofarts zelf, de teksten die hij doorneemt en de amoureuze avonturen van Eugen, de jonge militair die de arts vergezelt) versterken elkaar en de beschrijvingen van bizarre, irrationele gewoontes van die tijd zijn interessant. Toch komt het boek ook ergens iets te kort, al is het moeilijk te duiden wàt precies. Het eerste deel is vooral een reisverhaal, erg veelbelovend, maar ook met wat rafelige randjes die onopgelost lijken te blijven. Het tweede deel is ronduit luguber en behandelt voornamelijk nog het opensnijden en onderzoeken van lijken. Het verhaal krijgt zelfs een Stephen King-achtig tintje, wanneer de mogelijkheid van het bestaan van zombies binnen dit verhaal een reëel gegeven zou kunnen zijn. Zie ik u nu bij het woord 'zombies' met uw ogen rollen? Inderdaad, zo dacht ik er ook over. De auteurs balanceren kort op de dunne lijn tussen flauwe onzin en een geloofwaardig, historisch verhaal, maar maken gelukkig wel de juiste keuze. Een degelijke poging tot een goede, historisch correcte roman dus, al bleef ik toch ook wat op mijn honger zitten.

***

Pfeijffer, I. L. (2020), Quarantaine - Dagboek in tijden van besmetting, Uitgeverij De Arbeiderspers/NL

Genua, 20 april 2020

In de eerste zin van zijn verslag van de Peloponnesische Oorlog zegt Thucydides dat hij meteen bij het uitbreken van het conflict is beginnen te schrijven, omdat zijn inschatting was dat de gebeurtenissen ingrijpend zouden zijn en belangrijker om te vertellen dan veel uit het verleden. In mijn geval duurde het iets langer. Aanvankelijk bagatelliseerde ik de dreiging van het virus en schudde ik mijn hoofd in ongeloof over de paniek die om zich heen begon te begrijpen. Maar zodra ik inzag dat ik een kolossale inschattingsfout had gemaakt en besefte dat mensen stikten op brancards in de gangen van ziekenhuizen in Noord-Italië en dat extreme maatregelen onafwendbaar waren, ben ik begonnen aan dit dagboek met dezelfde gedachte die Thucydides in zijn tijd had. (pag. 89)

Wat bezielt een uitgever om het nieuwste boekje van zijn 'kip met de gouden eieren' er te laten uitzien alsof het al ruim dertig jaar oud is en thuishoort in een boekenruilkastje langs de kant van de straat, als een prul waarin binnen enkele jaren niemand meer geïnteresseerd zal zijn? Zo ziet deze verzameling van dagelijkse krantenstukjes uit De Standaard (B) en NRC Handelsblad (NL) er namelijk uit. Maar goed, taxeer een boek nooit op z'n voorkomen, maar op de inhoud. Pfeijffer doet verslag van de ontwrichtende gevolgen van het sars-cov-2-virus, dat zich over de hele wereld verspreidde en dus ook keihard toesloeg in Noord-Italië, waar de Nederlandse auteur woont. Het resultaat valt niet te vergelijken met de meesterwerken die Pfeijffer eerder publiceerde. Het zijn de bedenkingen van een schrijver zonder veel inspiratie, van een man die een quarantaine moet uitzitten zodat de wereld nog amper tot bij hem geraakt.

Genua, woensdag 17 juni 2020

Mijn zusje in Nederland zei mij over de telefoon dat ze de ironie miste in mijn stukjes. Ze had gelijk. Paulien Loerts, de directrice van het uitgeefconcern, had mij maanden geleden hetzelfde gezegd. Omdat zij begin maart voor het eerst iets van mij las wat niet ironisch was, heeft zij de ernst ingezien en haar concern gewapend tegen de crisis. Maar ik wil mijn zusje niet teleurstellen en ik zou graag luchtig kunnen doen over een opgeklopte hype. Maar het probleem hierbij is, zoals bij zoveel dingen, de werkelijkheid. Als ik eerlijk ben, kan ik niet ironisch zijn. (pag. 205)

De schrijver verwoordt in deze passage treffend het voornaamste gebrek waarmee zijn bundel dagboeknotities te kampen heeft: de werkelijkheid. Hij beschrijft immers de realiteit van de coronacrisis die elke lezer in elke grootstad of klein dorp zelf heeft doorstaan en, erger nog, die maanden later nog steeds het dagelijkse leven en het straatbeeld bepaalt. Ilja Leonard Pfeijffer schrijft dus over mondmaskers, ontsmettingsgel en 'social distancing', over gedwongen werkloosheid met armoede tot gevolg, over nieuwe en vervlogen hoop, over uitzichtloosheid en kleine gelukjes. Hij mag het dan ook niemand kwalijk nemen mocht dit boekwerkje binnen enkele maanden of jaren in de collectieve vuilnisbak terecht zijn gekomen. Het zal dan immers een wrange herinnering zijn aan een periode waaraan niemand nog herinnerd zal willen worden. Zelfs nu al, terwijl de crisis nog volop heerst - ik schrijf dit neer in januari 2021 - is de mensheid eerder toe aan boeken die een vorm van escapisme bieden, eerder dan boeken die de lezer nog eens extra met de neus op de feiten drukken. Of ik dan tenminste toch.

**

Buck, V. (2016), Runa, Karakter Uitgevers bv, Uithoorn

Wat zou ik hier graag kunnen zeggen dat ik Vera Buck al ken sinds het verschijnen van haar debuutroman Runa, maar dan zou ik liegen. Ik ontdekte haar pas door haar tweede roman, Het boek van de vergeten artiesten (uit 2019, zie 23 recensies hieronder), een boek dat ik in de boekhandel oppikte enkel op basis van de fraaie cover. Wat was dat een geslaagde ontdekking! Het artwork van haar debuut beviel me helaas al veel minder, in die mate zelfs dat ik het boek er een tijdlang door liet liggen. Ik vond mezelf niet in de stemming voor gothic- of zombieverhalen, of iets Stephen King-achtigs. Gelukkig was dat een misvatting, want de cover van Runa past als een tang op een varken. Het verhaal speelt zich af in het Parijs van de 19de eeuw, waar de kennis van hersenchirurgie nog in de kinderschoenen staat. Vooraanstaande chirurgen komen er aanzetten met de meest bizarre ideeën en experimenteren er graag op los, al was het maar om te kunnen claimen de eerste ter wereld te zijn die een geslaagde behandeling tegen de een of andere neurose te hebben ontdekt. Jori, voluit Johann Richard, een student die graag aan z'n thesis wil beginnen, is echter om een andere reden gemotiveerd. Hij wil er uiteindelijk toe komen om de zus van zijn jeugdvriend Paul te opereren, zodat hij de getroebleerde Pauline op een dag misschien ten huwelijk kan vragen. 

Pauline keek zoals ze sinds enkele jaren altijd keek als ze bij het meer of ergens anders zaten, melancholiek en in zichzelf gekeerd. Zelfs het zicht op de zonnevlekken die op het water glinsterden, kon haar stemming niet verbeteren, net zomin als de kinderen die een stukje verderop in kniediep water stonden en elkaar schaterlachend natspatten, zoals Pauline en Jori vroeger ook hadden gedaan. Vroeger, toen Pauline vanuit de verte al had gelachen als ze Jori zag. Als ze gewoon haar jurk opgetild had en in het meer was gesprongen om het koude water met twee handen naar Jori toe te scheppen, net zolang tot zijn broek aan zijn benen zat gekleefd. Ze was altijd sneller in het water geweest dan hij, en hij had zich gebukt om revanche te nemen. Het was minder een wederzijds natspatten geweest dan een grondig natmaken, door en door, en dat was de bedoeling ook. Want hoe natter ze waren, hoe langer ze hand in hand op de oever konden liggen om samen op te drogen. (...) Jori zou haar graag bedekken als een deken, om haar te verwarmen en te beschermen. Wanneer was het eigenlijk begonnen dat Pauline steeds magerder werd? (pag. 70)

Runa is een zeer gelaagd boek, waarbij het niet altijd duidelijk is wie nu precies de hoofdrol kreeg toegewezen of wat nu het eigenlijke doel is. Jori wil er met de hulp van enkele vooraanstaande chirurgen toe komen om Runa te opereren, een zeer jong meisje, maar merkt dat er onder zijn medestudenten al snel weddenschappen worden afgesloten omtrent deze operatie. Dokter Charcot maakt van zijn legendarische lezingen graag een hele show, waarbij telkens patiënten worden opgevoerd die aan de meest uiteenlopende experimentele proeven worden onderworpen. De oude Lecoq, een speurder tegen wil en dank (want in zijn hart voelt hij zich een misdadiger) onderzoekt enkele bizarre moorden. De twee kinderen van de tabakswinkel, Frédéric en zijn zus Isabelle, doen enkele vreemde ontdekkingen. En dan is er nog Maxime, die huisarrest krijgt omdat zijn vader hem betrapte in de bibliotheek. Het duurt een tijdje voor je als lezer alle verhaallijnen te pakken hebt en het is uiteindelijk nog de beklemmende sfeer van het 19de-eeuwse Parijs die de voornaamste rode draad doorheen het boek vormt, het bindmiddel dat alle eindjes bij elkaar houdt. Maar uiteindelijk word je als lezer meegezogen in een draaikolk van gebeurtenissen waar geen ontkomen meer aan is.

Jori was nog nooit in Charcots kantoor geweest. Hij kende ook niemand die daar wel was geweest, en daarom werd er gefluisterd dat er nog nooit iemand levend uit vandaan was gekomen. Na Jori's eerste jaar in het Salpêtrière had hij een keer de plattegrond van het ziekenhuisterrein bekeken en was met zijn vingertoppen over de plek gegaan waar de kamer van de zenuwarts als een wit hokje was ingetekend. Een blinde vlek in een plattegrond die hem verder net zo vertrouwd was geweest als de positie van de organen in een lichaam. Jori had zich voorgesteld wat Charcot in deze kamer zou kunnen bewaren, hoe hij hem gemeubileerd had en hoe Jori hem zelf zou inrichten als hij in Charcots plaats was, de heerser over dit zieke imperium, over deze 'verschrikkelijke beerput', zoals Charcot het zelf had genoemd voordat hij meer dan twintig jaar geleden de leiding aangeboden had gekregen. (...) 'Entrez!' Charcots stem klonk krakerig en vervormd. Het leek de stem van een vreemde. De scharnieren van de deur knarsten, en Jori kneep zijn ogen dicht. Hij had graag zachtjes en onopvallend willen binnenkomen. (pag. 114)

De kracht van deze roman ligt besloten in het laatste deel. In plaats van het hele verhaal zijn beslag te laten krijgen in een typische, hollywoodiaanse ontknoping, kiest Vera Buck eerder voor een alternatieve versie: het lot van de protagonisten maakt een vreemde kronkel, verhaallijnen krijgen niet het beslag dat in de lijn van de verwachtingen ligt, met een spannende achtervolging of een wraakmoord als typisch hoogtepunt. Neen, de auteur zorgt voor een traag uitrafelen van de naden van het verhaal, wat des te meer stof tot nadenken en speculatie oplevert. Dat is volgens mij precies wat de briljante auteur onderscheidt van de schrijver die een fluteinde van dertien-in-een-dozijn bedenkt , zo eentje dat de oplettende lezer al honderd bladzijden lang zag aankomen. Geniaal dus.

*****

Over deze foto, die de inspiratie leverde voor Runa: "Deze afbeelding toont de muur van een cel in het ziekenhuis van St. Elizabeth. (...) Als we oude patiëntendossiers en beschrijvingen uit psychiatrische ziekenhuizen lezen, kennen we maar het halve verhaal. Wat we meestal missen is het standpunt van de patiënt. In zekere zin is dit iets dat mijn beide boeken met elkaar gemeen hebben: het idee om mensen die anders niet voor zichzelf kunnen spreken, een stem te geven. Om hun verhalen op te schrijven zodat ze niet worden vergeten." (Vera Buck, 2020)

Ironmonger, J. (2020), De dag dat de walvis kwam, Uitgeverij Signatuur, Amsterdam

Eerst spoelt er een naakte, jonge man op het strand aan. Dan een walvis. De 307 inwoners van het vissersdorpje St. Piran voelen meteen dat er iets vreemds te gebeuren staat, maar niemand vermoedt hoe erg hun gemeenschap bedreigd wordt. De man, Joe, gevlucht uit Londen, waarschuwt hen voor een dodelijk virus. De kleine gemeenschap zal de op til zijnde crisis enkel kunnen overwinnen door middel van solidariteit.

Het is niet de ziekte die ons zal doden, maar de angst. In 1918 duurde het een hele tijd voordat men begreep wat er aan de hand was. De mensen bleven naar hun werk gaan. Ze deden gewoon hun ding. Ditmaal krijgen we alles te zien op de nieuwszenders. We zullen de eerste slachtoffers zien sterven. We zullen de lichamen begraven zien worden. We zullen in paniek raken. We zullen doen wat iedereen zal doen: goed voor onszelf zorgen. Onze gezinnen. We zullen onze deuren en ramen sluiten, de kinderen binnenhouden. We zullen onze werkplek mijden. (...) Als mensen te ziek of te bang zijn om naar hun werk te gaan, kan de boel angstaanjagend snel instorten. Dorpen en steden zullen binnen drie dagen door hun voedselvoorraden heen zijn. Sneller zelfs, als mensen gaan hamsteren. (pag. 181)

De dag dat de walvis kwam is de Nederlandstalige versie van John Ironmongers 'Not forgetting the whale' uit 2015, en is daarmee diens eerste roman die naar onze taal vertaald werd. Dit was één van drie boeken waarin ik tegelijk was beginnen lezen (samen met Mijn lieve gunsteling en Runa). Aanvankelijk was dit het boek dat van deze drie het vaakst op de plank bleef liggen. Het eerste deel kwam maar traag op gang en kon mij maar matig boeien. Het verhaal schipperde tussen mysterie (drenkeling wordt door walvis gered) en harde realiteit (IT-bediende sleutelt aan een nieuw economisch computerprogramma), en lang vroeg ik me af of het verhaal ooit nog effectief ergens toe zou leiden. Maar plots, vanaf hoofdstuk 13 (pagina 151), krijgt deze roman de wind in de zeilen - ik gebruik hier bewust deze metafoor - en ben je als lezer vertrokken. Het verhaal leunt sterk aan bij de actualiteit rond de covid-crisis. De protagonist ziet de bui tijdig hangen en onderneemt actie. Joe probeert de bewoners van het afgelegen vissersdorpje alle mogelijke op til zijnde miserie te besparen.

Ze trekt aan de deur, die opent met het weerbarstige knarsen van oeroude scharnieren. De kinderen lopen langs haar heen naar binnen. Ze zijn in de Normandische toren, de klokkentoren. De touwen van de klokken hangen er nog. Een van de kinderen rent erheen om aan een touw te trekken, maar hij is niet zwaar genoeg om de hoge klok in beweging te krijgen. 'Hier stonden overal dozen,' zegt Charity. 'Hij had ze opgestapeld vanaf de muren zodat er tussen de dozen nog maar een smal pad liep. De stapels reikten helemaal tot aan het plafond. Ze stonden zelfs op deze trap.' Ze pakt de hand van het jongste kind en ze lopen de houten trap op. 'Op elke trede stonden dozen met voedsel. Blikjes vlees. Blikjes vis. Zakken suiker. Rijst. Bonen. Je kon er amper langs als je naar boven wilde. (...) Alles bij elkaar achtendertighonderd verpakkingen,' zegt ze, en de kinderen proberen voor zich te zien hoe de kale vloer schuilging onder een berg blikjes en pakken en flessen en potjes. (pag. 198)

Deel 2 van De dag dat de walvis kwam leest als een trein, want is razend spannend. Maar ergens halfweg geraakt Joe aan de praat met Demelza, een schrijfster van liefdesromans op wie hij wat neerkijkt. Zij bestookt hem met wat amoureus gewauwel, verpakt als wijze levensles. Het is een teken aan de wand, want vanaf deel 3 gaat John Ironmonger zelf de kleffe toer op. Vanaf daar baadt het boek in een gezellige kerstsfeer en draait alles om de vraag met welke vrouw de protagonist de zonsondergang tegemoet zal rijden. Goed, echt heel erg is dat niet. Het stoort niet in die mate dat je er als lezer op afknapt. De opbouw naar het 'happy end' was immers overtuigend genoeg. Een goed boek dan? Ja, maar ook ideaal voer voor een typische BBC-verfilming.

*** 

Rijneveld, M. L. (2020), Mijn lieve gunsteling, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen

(...) zoals een ziek kind hangerig werd, zo leunde jij ook lusteloos tegen me aan terwijl ik bij je op bed zat tussen je knuffels met mijn rug tegen de muur en je voorlas uit 'Lieve Jongens' van Gerard Reve, ik was inmiddels bezig om je geheel te verzieken, zelfs met bepaalde lectuur wilde ik je mijn armen in jagen, ook al was je nu koortsig en wist ik dat je alleen maar naar die van mijn zoon verlangde die nu in het zwembad lag met zijn vrienden en alleen gisteren een halfuurtje was langsgekomen met een fruitmand die onaangeroerd op je nachtkastje stond en waar achter de appels de doodliefhebbers zich alweer hadden verscholen en mij op de voet volgden, (...) en ik zag steeds vaker dat mijn zoon zijn kettinkje met het halve hartje niet meer omhad, dan lag dat op het plankje in de badkamer, en ik had het deze morgen stiekem zelf omgedaan, ik voelde het koude zilver tegen mijn huid en begreep toen pas waarom jullie lustelingen dit wilden dragen, het gaf hoop om een stukje van andermans hart mee te dragen, om een deel van de ander te zijn omdat er al zoveel van jezelf was, en het stond me prachtig, (...) (pag. 129/130)

Voor ik aan deze recensie begon, wou ik mijn eerdere recensie over de debuutroman van Marieke Lucas Rijneveld nog eens herlezen. Tot mijn verbazing vond ik die hier nergens meer terug. Toen besefte ik dat ik de betreffende recensie enkele maanden geleden in de afdeling 'jongeren' had neergeschreven. En terecht ook, want ik vind De avond is ongemak prima leesvoer voor jongeren vanaf pakweg 16 jaar. Wat Mijn lieve gunsteling betreft ben ik daar lang niet zo zeker van. Het is moeilijk in te schatten welk publiek Rijnevelds tweede roman, die evengoed 'Dagboek van aan pedofiel' had kunnen heten (al zou dat uiteraard erg banaal geweest zijn), mentaal aan kan.

Mijn lieve gunsteling is het relaas van een negenenveertigjarige veearts die verliefd wordt op een veertienjarige boerendochter. Hij hield er als kind een incestueuze relatie op na met zijn moeder, een relatie die hem zijn puberteitsjaren kostte. Zij leeft in haar eigen droomwereld. Haar seksualiteit begint te ontluiken en liever nog dan een meisje zou ze een jongen willen worden. De informatie die Marieke Lucas Rijneveld over de boerendochter prijsgeeft, lijkt - net zoals in haar debuutroman - aan haar eigen biografische gegevens ontleend. Als lezer kan je jezelf niet van de indruk ontdoen dat haar beide romans voor 99% aan haar eigen jeugd ontleend werden. Welke elementen zij er dan precies als fictie aan toevoegde, daar heeft de lezer het raden naar.

(...) zo was je een verwoede neuspeuteraar, ja, een megalomane neuspeuteraar, vooral als je je gespannen voelde of als je ergens lang over moest nadenken of niet de juiste woorden vond, dan duwde je je pink diep naar binnen en begon te graven, net zo lang tot je vond wat je zocht, al deed je het nooit waar iemand bij was, op je pa en je broer na, en toch had ik je een keer betrapt in de achterbak van de Fiat, toen je dacht dat ik sliep, daar had ik je hand vastgegrepen en je pink liefdevol tussen mijn lippen genomen, ik had het geelgroene neusslijm van je vinger gekloven en je zei met een gewichtige stem: 'Nu zitten al mijn gedachten in jou'. Ik zei dat ze bij mij veilig waren, dat ik ze met mijn leven zou bewaken, ik zei dat je mij moest opeten om ze terug te krijgen, (...) (pag. 221)

Hoewel het eigenlijke verhaal niet erg moeilijk te begrijpen valt, weet deze roman toch te beklijven door de nauwgezette sfeerschepping waarmee Rijneveld hem opbouwt. Soms gaat de schrijfster daarin ook wat te ver, en boomt ze door over details waarvan je jezelf als lezer wel eens afvraagt wat je er aan hebt. Wat ook best frustrerend is, en dat merk je aan beide fragmenten hierboven, is dat Rijneveld nog amper punten achter haar zinnen zet, maar in elk hoofdstuk de zinnen aan elkaar rijgt door middel van komma's. Dat ontneemt de lezer het recht op adempauzes, toch wel broodnodig hier en daar. Voor je het weet heb je Mijn lieve gunsteling daardoor uitgelezen, maar dien je jezelf achteraf nog af te vragen wat je er nu precies van vond. Net zoals in Ted van Lieshouts Mijn meneer (zie elders op deze blog) vraag je jezelf af in hoeverre pedofiele handelingen hier al dan niet vergoelijkt worden, zowel vanuit het perspectief van de 'dader' als van het 'slachtoffer' (bewust tussen aanhalingstekens geplaatst). Stof tot nadenken biedt dit boek dus in ieder geval genoeg.

****

Fragment uit De Standaard, door Pascal Verbeken (26/09/2020):

Aan het begin van het nieuwe millennium las hij in Zoon van een 'foute' Vlaming, de memoires van de hoogleraar geschiedenis Adriaan Verhulst, dat het huis een troebel verleden had. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het de woon- en werkplek van Adriaans vader, Willem Verhulst, een gevreesd SS'er, collaborateur en verklikker: "De memoires kwamen als een schok. Nochtans had ik eerder al informatie over de vroegere bewoners gekregen. Letta, de zus van Adriaan, belde ooit aan met de vraag om het huis nog eens te mogen zien. Tijdens het bezoek vertelde ze dat er "veel gebeurd" was tijdens de oorlog. Ik schonk er weinig aandacht aan, ik had nog geen historische blik en moest nog beginnen schrijven aan Oorlog en Terpentijn. Maar misschien verdrong ik het ook. (...) Hoe dan ook, ik had toen toch geen tijd voor Grote Schrijfprojecten. Ik had nog tien jaar te gaan in het onderwijs." De schilferige gevel van het huis liet Hertmans nog keurig plamuren en schilderen in een modieuze okerkleur. Maar van de voordeur bladdert nu de oude verf af die hij er ooit zelf op aanbracht. Zwarte verf. Tijdens het schilderen viel de verfpot per ongeluk van de ladder waardoor het zwart in grote spatten op de kasseien terecht kwam. Alsof de vorige bewoner een teken gaf. (...) Willem Verhulst was lid van de collaborerende nazi-organisatie DeVlag. Omdat hij afgekeurd werd voor de Waffen SS ging hij aan de slag als V-Mann, vertrouwensman en spion van de Sicherheitsdienst. Maar de V-Mann die in Gent op joden joeg, was, voor hij zijn tweede vrouw Mientje leerde kennen, gehuwd met de joodse Elsa. Hertmans had De opgang het bekende motto van Gerard Walschap kunnen geven: de mens, ge kunt gij daar niet aan uit.

Hertmans, S. (2020), De opgang, De Bezige Bij, Amsterdam

Bij de bezichtiging van het huis zag ik de schimmel en het vocht, het brakke water in de ondergelopen kelders, hier en daar een vermolmd oud meubel, maar ook de hoge trapzaal, de mooie schoorsteen van bruin-roze marmer in de voorkamer, de lange gang met de zwart glimmende Ardense steen, afgeboord met een lint van grijsgeaderd Carrara, de ruime kamers op de etages met hun brede vloerplanken - de aantrekkingskracht van een onbekend leven. We gingen van kelder tot zolder, een opgang die ruim twee uur duurde omdat notaris De Potter in mijn aanwezigheid, en telkens met mijn vereiste instemming, een gedetailleerde Staat van Bevinding moest opmaken. Op zolder zag ik aan een bestofte balk een stuk touw hangen; enkele pannen ontbraken in het hoge spitse dak. Je zag de grijze stadslucht, ergens hoorde ik het flapperen van duivenvleugels. Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen. (pag. 9/10)

In de zomer van 1979 trok een huis in het Gentse Patershol de aandacht van de jonge Stefan Hertmans. De blauweregen hing bestoft neer, maar de geur trof hem diep en bracht hem terug naar zijn kinderjaren. Hij kocht het pand in een opwelling. Verbijsterend was de ontdekking dat de vroegere bewoner een ss'er was geweest. Pas nadat de auteur het huis twintig jaar later weer had verkocht, ging hij op zoek naar wat er zich tijdens de oorlog had afgespeeld. 'Het is onbegrijpelijk,' schrijft hij, 'dat alles wat ik toen al had kunnen weten of toch tenminste vermoeden, zo gedachteloos aan mij voorbij had kunnen gaan.'

1940. Begin van de maand mei; bloeiende struiken in de kleine stadstuinen. De eerste Belgische soldaten trekken zich uitgeput, opgejaagd en bestoft terug via de Gentse binnenstad. Even later dreunen de Messerschmitts boven de straten. Parachutisten trekken hun ijle schermen open in de lucht, ze zweven op de daken toe, er ontstaat onrust; boven het Sluizeken hangt plots een Duitse soldaat, zijn parachute verstrikt in de elektriciteitsbedrading van een hoge telefoonpaal, hij spartelt om vrij te komen. Enkele Belgische soldaten komen aangerend, een van hen wil schieten, een ander weerhoudt hem: er zijn inmiddels overal Duitse troepen, plots zit de schrik er diep in. De soldaat hangt als een donkere engel tegen de lichtbewolkte lucht, zijn parachute sleept over de kasseien. Hij snijdt zichzelf los terwijl de omstanders ernaar staan te kijken, hij springt naar beneden, de Belgische soldaten slaan hem in de boeien en leiden hem weg. De omstanders zien hun eerste vijand, een vrouw slaat de hand voor de mond wanneer ze zijn mooie blauwe ogen ziet; de ouderen herinneren zich de vorige oorlog. Eén zegt stil: De smeerlappen zijn terug. (pag. 77)

Langzaam komt Willem Verhulst in beeld, de man die hij wil leren begrijpen, alsook zijn Nederlandse echtgenote Mientje en hun drie kinderen. Hertmans spreekt met nabestaanden, raadpleegt archieven, vindt intieme documenten. In zijn herinnering loopt de schrijver weer door alle kamers die hij zo lang heeft bewoond. Hij maakt verslag op van een politiek drama, dat ook een huwelijksdrama was. 

Enkele maanden na hun intrek in het huis gaat de bel, een werkman staat aan de deur die aan Mientje zegt: Madame, hier is de bestelling voor uwe man. Hij loopt naar de handkar even verderop, pakt er een ruwhouten kist af en vraagt of hij die in de gang mag neerzetten. (...) Wat tevoorschijn komt doet haar duizelen. De man plaatst - uw man heeft het zo gevraagd, madame - een grote buste van de Führer op de mooie schoorsteenmantel, kijkt haar veelbetekenend aan en zegt: Bevel van uw echtgenoot, madame, ik wens u veel succes. Hij maakt een vage Hitlergroet en buigt. Ze laat hem uit zonder een woord, gaat de voorkamer weer in; ze staat, handen in haar schort gewrongen, perplex te kijken naar die kop, die dode uitdrukking in de lege ogen van onbeschilderd plaaster, er is een vluchtige, o geen drie seconden durende vlam van afschuw in haar, die meteen overslaat in onrust en angst, straks komen de kinderen thuis, die deur moet dicht, ik wil niet dat ze dit zien. (pag. 112/113)

Na zijn absolute topromans Oorlog en Terpentijn en De Bekeerlinge komt Stefan Hertmans opnieuw aandraven met een boek dat zichzelf wel lijkt te hebben geschreven. Alle elementen dienden zich hiervoor aan. Het enige wat de auteur nog restte te doen, was in mooie, vaak lyrische zinnen - zoals alleen Hertmans dat zo onovertroffen kan - het verhaal vangen en vastleggen. Het resultaat is geen nieuwe Oorlog en Terpentijn, daarvoor is het verhaal wat te rechtlijnig, maar het is wel degelijk een nieuw hoogtepunt in Hertmans' oeuvre. Door de eenvoudige, treffende beeldtaal leest het boek ook bijzonder vlot. Voor je het beseft, heb je het al half uit. Om het documentaire karakter te benadrukken heeft de schrijver dan ook nog eens heel wat foto's toegevoegd, waaruit blijkt dat hij weinig of niks heeft moeten verzinnen om het verhaal rond te krijgen. Absoluut een aanrader!

**** 

Japin, A. (2020), Mrs. Degas, uitgeverij De Arbeiderspers Amsterdam

Zo vaardig als de man zijn weg vindt! Nergens houdt hij zijn pas in, geen stap zet hij voorzichtig. Integendeel, hij houdt op de trap niet eens de leuning vast maar stort zich naar voren, rap en ongeduldig, en neemt de treden onbesuisd als een jongeman. Het is niet dat zijn blindheid hem niet hindert, meer alsof hij het verdomt zich er door te laten weerhouden. Er zit drift in zijn gebaren, een gedrevenheid. Heeft hij dat ongeduld altijd gehad, ook toen hij ons schetste? Een woeste kracht, intuïtief, waarmee hij het papier aanviel, gedreven en omzichtig tegelijk. (...) De trefzekerheid waarmee hij ons in dat werk plaatste. Het is datzelfde nerveuze elan dat hem nu door zijn onzichtbare wereld leidt, priemende blik van achter samengeknepen oogleden. (pag. 25)

Parijs, 1912. Edgar Degas, de beroemde Franse schilder, is blind geworden. Wanneer hij zijn huis uit moet, krijgt hij onverwachts hulp van een jonge vrouw. Zij is echter niet wie zij beweert te zijn en brengt in het geheim verslag uit van haar bezoekjes. Ondertussen dwingt zij de oude man terug te denken aan zijn tijd in New Orleans, kort na de Amerikaanse Burgeroorlog, en aan de vrouw die Degas' leven en succes bepaalde , zijn enige en onmogelijke liefde: zijn Amerikaanse nichtje Estelle. Terwijl hij zijn leven in dozen bergt en zijn verloren geluk reconstrueert, probeert hij op de tast Estelles gezicht te vangen in een allerlaatste wassen beeld. 

Hoe ik hem aantrof, je gelooft het niet. En dan heb ik het niet over zijn gemor of zijn ouwe-mannen-kamerjas maar over bijenwas en klei. Alsof hij een modderbad genomen had! De hele kamer zit onder. Hij kreeg het vannacht in zijn kop uit bed te gaan om te boetseren. En omdat hij niet ziet wat hij doet, laat hij liggen wat er valt. Plasticine of was, ik weet niet wat het is, er zitten stukjes kurk in, een of andere mengelmoes die hij zelf in elkaar draait zonder nog verhoudingen te kunnen schatten. Het kleddert over de grond, hij trapt het tot in de nerven van het hout en loopt het uit. Nog een geluk dat die parketvloer straks aan de slopershamer wordt gevoerd. Op tafel stond een homp van dat spul. Recht voor hem. Op ooghoogte. Ter grootte van een kop. En zo zat hij er ook tegenover, alsof hij ermee in gesprek was, al modellerend, armen vol aangekoekte brij. Alleen God weet wat het voor moet stellen, maar zijn handen gleden eroverheen alsof hij er de liefde mee bedreef. (pag. 97)

Het deed me weer eens deugd om een boek van Arthur Japin ter hand te nemen. Weinig andere Nederlandstalige schrijvers weten hun zinnen zo vlot aan elkaar te rijgen. Dat viel ook dit keer niet tegen. Japin is een meester in wat hij doet: op een heldere en makkelijk verteerbare manier een verhaal opbouwen. En toch, zeker in vergelijking met zijn vorige roman, Kolja (zie recensie verderop), mag ik Mrs. Degas niet meteen een meesterwerk noemen. Dat komt enerzijds doordat het verhaal dat de hart van Mrs. Degas vormt nét een beetje te mager uitvalt, en anderzijds omdat Japin al vrij snel een spoiler weggeeft. Je kan dan als lezer nog uitkijken naar het moment waarop ook de bejaarde schilder plots beseft wie hij eigenlijk in huis heeft gehaald, maar als ook dat moment wat blijkt tegen te vallen, valt het emotionele hoogtepunt van deze roman als losse stukken klei uit elkaar. Let op, al bij al blijft dit boek zeker de moeite waard voor wie ook maar van ver of dichtbij geïnteresseerd is in biografieën van impressionistische schilders, maar beschouw het als een aardige doch bescheiden voetnoot bij de loop van de Europese kunstgeschiedenis. En de bijbehorende afbeeldingen kan je opzoeken. Heb ik zelf ook gedaan.

***

Barnes, J. (1999 - editie 2020), Engeland Engeland, Uitgeverij Atlas Contact Antwerpen/Amsterdam

Waar Nell Gwynn en Connie Chatterley het over eens waren, was dat de huidige uitbaatster van Nells Sapstal van geen enkele man schunnig gedrag en ongewenste intimiteiten hoefde te pikken, zelfs niet al was hij koning van Engeland. En in het onderhavige geval was hij dat toevallig. In het begin was hij aardig geweest en had hij gevraagd of ze hem Kingeding wilde noemen, al had ze daar niets voor gevoeld. Maar daarna waren er opmerkingen gemaakt, haar verlovingsring was genegeerd en haar handel was op dubbelzinnige wijze betast. De laatste tijd viel hij haar lastig in het bijzijn van klanten, die erom moesten lachen alsof het allemaal bij de voorstelling hoorde. Het was geen doen meer. Martha gaf Nell de rest van de dag vrij en verzocht de koning om om 15:00 uur op haar kantoor te zijn. (...) Ze had hem al verscheidene malen ontboden en wist dat ze een geagiteerde, klagerige figuur tegenover zich kon verwachten. (pag. 224)

Een roekeloze zakenman bedenkt een groots project waarmee hij zijn carrière kan afsluiten. Het eiland Wight wordt opgekocht en omgebouwd tot een historisch themapark. Replica's van de Big Ben, Stonehenge en de krijtrotsen van Dover worden opgetrokken. Traditionele Engelse gebruiken worden door acteurs nagespeeld en de koning en koningin - volgens geruchten  de echte, geen dubbelgangers - worden in dienst genomen om zichzelf te zijn. Het wordt een mekka voor toeristen, die massaal komen bewonderen hoe Robin Hood en zijn bende de rijken bestelen, smokkelaars op de meest originele manieren smokkelen en de dorpsgek zoals vanouds weer ronddoolt. Het project is monsterlijk, riskant, Engelser dan het origineel, maar bovenal ook zo succesvol dat uiteindelijk de onafhankelijkheid wordt uitgeroepen. Terwijl het pretpark als onafhankelijke staat toenadering zoekt tot de Europese Unie, raakt het oude Engeland in verval. 

Ze hadden de Big Ben op halve grootte, ze hadden het graf van Shakespeare en dat van prinses Di, ze hadden Robin Hood (en zijn Vrolijke Vrienden), de krijtrotsen van Dover en keverzwarte taxi's die door de Londense mist pendelden naar Cotswoldachtige dorpjes vol cottages met rieten kap waar Devonshire cream tea werd geserveerd. Ze hadden de slag om Engeland, cricket, kegelen in de kroeg, Alice in Wonderland, The Times en Honderd-en-een-dalmatiërs. (...) Manchester United zou al zijn thuiswedstrijden spelen in het Wembley op het Eiland, waarna de ontmoetingen onmiddellijk in Old Trafford zouden worden overgespeeld door vervangende elftallen, die voor dezelfde uitslag zouden zorgen. Parlementsleden hadden ze niet kunnen krijgen, maar een stelletje acteurs in ruste, hoewel pas gedeeltelijk opgeleid, bleek niet van echt te onderscheiden. De National Gallery was volgehangen en met een vernissage geopend. (pag. 172)

Julian Barnes schreef met deze roman in 1999 al een satire op de schertsvertoning die de Brexit jaren later zou worden. Daarom werd dit destijds ondergewaardeerde werk twintig jaar later nog eens opnieuw uitgegeven, dit keer natuurlijk met meer succes, omdat de werkelijkheid de parodie intussen heeft ingehaald. Engeland, Engeland is echter niet het politieke boek geworden dat het zou kunnen zijn. Integendeel zelfs, het is een lichtvoetig verhaaltje geworden dat verschillende menselijke trekjes belicht: de arrogantie van een zakenman die van gebakken lucht op theatrale wijze een product weet te maken, de vernedering van een man die zichzelf betrapt weet op z'n meest gênante vertoning, de meedogenloosheid van een carrièrevrouw die over lijken gaat om haar zin te krijgen... Deze roman is een klucht, met een plastieken kopie van het ooit zo legendarische Engeland als achtergronddecor. Goed, een puntje van kritiek is dat Barnes zijn personages soms wat te veel uitdiept, zodat ze volledig karikaturaal voor de dag komen terwijl het verhaal zelf wat vertraging oploopt. Pas gaandeweg krijgt het boek de nodige vaart en een noodzakelijke dosis humor mee (de bende van Robin Hood klaagt over het eten en de smokkelaars blijken echt te smokkelen), maar tegen die tijd loopt het hoofdverhaal alweer op z'n einde. Als Barnes z'n accenten net een beetje anders had gelegd, had er mogelijk nog wat meer in gezeten, maar al bij al is dit best een prettig boekje om te lezen.

***

Coe, J. (2007), De regen voor hij valt, uitgeverij Em. Querido, Amsterdam

Gill en Catherine zaten samen op de lage, doorgezakte oude bank. Elizabeth zat tegenover hen op een rode draaistoel met een hoge rugleuning, die Catherine een paar maanden eerder bij een kantooruitverkoop voor een prikje op de kop had getikt. Ze hielden hun koffiebekers stevig vast en voelden de warmte van de drank in hun stijve, verkleumde vingers doordringen. Catherine pakte de afstandsbediening, zette het volume hoger, en het eerste wat ze hoorden, na een paar seconden, was aanzwellend geruis, gevolgd door het klikken en kraken van een microfoon die werd aangezet en verplaatst, waarbij de plastic standaard over een hard oppervlak heen schuurde. Daarna klonk er wat gekuch en keelgeschraap, en toen een stem, de stem die ze alle drie hadden verwacht, al werd het daar niet minder spookachtig van. Het was de stem van Rosamund, die alleen in de kamer van haar huisje in Shropshire zat en in de microfoon sprak, een paar dagen voor haar dood. (pag. 29)

Rosamund, de tante van Gill, sterft op drieënzeventigjarige leeftijd. In haar nalatenschap vindt Gill enkele cassettebandjes die bestemd zijn voor Imogen, een vrouw die Gill niet kent. Als Imogen onvindbaar blijkt en Gill de bandjes wel móét afluisteren, groeit haar verbazing met elke nieuwe openbaring. De oude Rosamund vertelt over haar leven aan de hand van twintig foto's, die ze nauwgezet selecteerde. Ze heeft het over Beatrix, Thea en Imogen, herinnert zich plaatsen en momenten, leuke maar ook tragische gebeurtenissen en maakt tenslotte de som op van haar eigen leven.

'Het is eigenlijk gewoon vocht. Vocht in de wolken.' Thea keek omlaag en verdiepte zich weer in het uitzoeken van steentjes; ze raapte er twee op en begon ze tegen elkaar aan te tikken. Ze leek wel lol te hebben in het geluid en het gevoel. Ik ging verder: 'Dat bestaat niet, snap je, regen voor hij valt. Pas als hij valt, wordt het regen.' Het was flauw om er tegen een klein kind zo over door te zagen, en ik had er al meteen spijt van. Maar Thea leek het helemaal geen moeilijke materie te vinden, integendeel. Want even later keek ze me aan en schudde ze meewarig haar hoofd, alsof het wel erg veel van haar geduld vergde om dit soort dingen met zo'n uilskuiken te bespreken.      (pag. 133)

In De regen voor hij valt vertelt auteur Jonathan Coe op meeslepende wijze een bitterzoete familiegeschiedenis die lang verborgen is gebleven en nu pas, na de dood van de verteller, kan worden onthuld. Het verhaal van Rosamund, die op een logische manier de verschillende zaken uiteen zet die haar leven definieerden, kan vanuit verschillende standpunten geïnterpreteerd worden.

Beatrix was grillig en onvoorspelbaar. Dat was ze altijd al geweest, tot op zekere hoogte, maar haar stemmingswisselingen werden nu naar mijn idee wel heel extreem. De helft van de tijd deed ze wanhopig vrolijk en onbezonnen, maar dat gedrag kon zomaar, zonder de minste waarschuwing, omslaan in een wilde agressiviteit. Daar zat maar een heel dunnen scheidslijn tussen, al leerde ik na verloop van tijd toch wel te zien wanneer die omslag kwam. Het ging mis, merkte ik, als je haar langer dan een paar minuten alleen liet. Als ze maar even de kans kreeg om bij zichzelf stil te staan, werd ze al snel bevangen door een dodelijke bitterheid. En als dat gebeurde, was niemand veilig voor haar rancuneuze woede.  (pag. 150)

Met De regen voor hij valt duikt de schrijver een vrouwenwereld in. Zowel het onderwerp en de personages - haast allemaal vrouwen - als de sfeer die het verhaal kenmerkt, maken er een echt 'vrouwenboek' van. Op het einde gaat Coe zelfs voor wat tranentrekkende sentimentaliteit, maar dat is oké; het resultaat mag er immers zijn. Nergens doet de ingesproken monoloog van Rosamond geforceerd aan, zelfs niet als ze hier en daar wat vooruitwijzingen geeft naar de tragische afloop van haar verhaal. Evengoed meen je als lezer dat je haar slechts een sentimentele, zelfingenomen zemeltante vindt - ik kan me dat nog wel inbeelden - en dan zou dit boek wel eens een tegenvaller kunnen zijn.

***

Fanto, J. (2020), Viktor, Uitgeverij Ambo/Anthos Amsterdam

Haar ranke hals. De welvingen die onder het hoog gestrikte bloesje deinden op haar ademhaling. De herinnering aan de volmaakte zachtheid van haar borsten stuwde zijn verlangen plots op. Het speet hem dat dit hun derde ontmoeting was en dat hij haar dus zou moeten laten gaan. Het spel van de liefde kende onverbiddelijke regels en ook dit keer zou hij geen uitzondering maken. Zijn eigen regels brak hij nooit. Wie kon je vertrouwen, als je jezelf niet eens kon vertrouwen? 'Viktor?' Hij schrok op. 'Je luistert helemaal niet!' (pag. 92)

Wenen, 1914. De zesjarige Viktor Rosenbaum redt een weeskind uit een vijver in het Praterpark. Het kenmerkt Viktor, een blonde jood met groene ogen die - volgens de gevestigde waarden en normen - niet wil deugen. Hij ontpopt zich als een rokkenjager en vertikt het, tot groot verdriet van zijn familie, om zijn studies af te maken. De 'anschluss' van 1938 vormt echter een keerpunt in zijn leven. Onverschrokken en vindingrijk beschermt Viktor iedereen die hij liefheeft.

Ik draaide de lichtschakelaar om en liet mijn ogen zoekend over de voorwerpen glijden. Helemaal achteraan stond, nauwelijks zichtbaar in het halfdonker, een kolossale linnenkast. Over de spullen klauterde ik ernaartoe en opende om beurten elk van de drie zware deuren. Alle planken waren leeg. Peinzend stond ik voor de kast toen mijn oog viel op de laden onderaan. Er zaten geen grepen op en de sleutels in de sleutelgaten ontbraken. Ik zat op mijn hurken, plantte mijn handen tegen de bodem van de kast en trok. Knarsend opende zich de middelste lade, waarin drie genummerde archiefdozen lagen. Voorzichtig nam ik de doos met een Romeinse I en hield hem een beetje schuin. Op de vloer gleden Oostenrijkse paspoorten, officiële brieven met zegels en stempels, certificaten, werkgeversverklaringen en getuigschriften van universiteiten; documenten uit een tijd waarin het bezit van de juiste papieren van levensbelang was geweest. Ineens hoorde ik grootmoeder roepen. (pag. 130)

Nijmegen, 1995. Geertje rebelleert tegen de angst en schaamte waarmee de Rosenbaums hun Joodse afkomst trachten te verstoppen. Waarom zijn haar familieleden zelfs een halve eeuw later nog steeds niet gestopt met onderduiken? Koppig besluit ze haar naam te veranderen in het joodse 'Judith' en gaat op zoek naar haar precieze afkomst.

Het debuut van de Nederlandse Judith Fanto is een familie-epos geworden waarin de eeuwige buitenstaander, het 'zwarte schaap' van de familie, de hoofdrol krijgt toebedeeld. Terwijl een jongere versie van de schrijfster zelf haar identiteit onderzoekt, wordt tegelijk ook het lot van haar voorouders ontrafelt. Waar twee verhalen - uit heden en verleden - tegen elkaar aan schuren, ontstaat vaak vuur. Een op zolder verborgen familiearchief, een joodse afstamming waar de protagoniste eigenlijk niks van af weet, een verhaal waarbij pasgeboren kinderen moeiteloos van de ene dragende arm in de andere overgaan... Het verhaal begint traag en is aanvankelijk vrij saai, maar vergis je niet. Deze roman is groots in al z'n eenvoud en eens de trein vertrekt, valt hij niet meer te stoppen. Tot de onverwachte ontknoping zich bij verrassing aandient.

****

Hugo, V. (1869 - editie 2013), De lachende man, Uitgeverij Papieren Tijger

Of het kind een vader en moeder in de groep had viel te betwijfelen. Niemand schonk enige aandacht aan hem. Ze lieten het werken, dat was alles. Het leek geen kind in een familie, maar een slaaf in een stam. De jongen was iedereen van dienst en niemand zei iets tegen hem. Verder maakte hij voort en leek hij, evenals heel dat obscure gezelschap waartoe hij behoorde, maar aan één ding te denken: zich zo snel mogelijk inschepen. Wist hij waarom? Waarschijnlijk niet. Hij haastte zich werktuiglijk, omdat hij zag dat de anderen zich haastten. (...) De jongen rende naar de loopplank om als eerste over te steken. Toen hij er een voet op zette schoten twee mannen snel naar voren, op gevaar af hem in het water te gooien, en gingen hem voor. Een derde werkte hem met zijn elleboog opzij en passeerde, de vierde duwde hem met zijn vuist weg en volgde. De vijfde, de aanvoerder, stapte niet maar sprong aan boord, en voor hij landde schoof hij met zijn hiel de plank weg, die in zee viel. Met een bijlslag werd de tros gelost, het roer ging om, het vaartuig verliet de oever en de jongen bleef aan land. (pag. 56)

Victor Hugo (1802-1885) staat wereldwijd bekend als een van de grootste Franse schrijvers aller tijden. Hij verwierf zijn roem met romans als De klokkenluider van de Notre-Dame, uit 1831, en Les Miserables, uit 1862. Maar zelf beschouwde hij zijn voorlaatste roman, De lachende man, als het beste werk dat hij ooit publiceerde. Veel kenners beschouwen het als zijn meest miskende meesterwerk. In 2012 werd de roman al voor de vierde keer verfilmd, dit keer met de bekende acteur Gerard Dépardieu in een van de hoofdrollen. Dat klinkt allemaal best opwindend, dus vroeg ik mezelf af of deze roman effectief de moeite waard is.

De roman speelt zich af in het Engeland van omstreeks 1700, wat dus ook voor Victor Hugo destijds al ver weg en lang geleden moet geweest zijn. Het verhaal begint op een ijskoude winteravond, wanneer een bizar gezelschap zich haastig inscheept en een tienjarige jongen op de kust achterlaat. De omstandigheden zijn zodanig bar dat de jongen de nacht niet zal weten te overleven. Of toch? Gwynplaine, want zo wordt de jongen genoemd, heeft een permanent monsterlijke lach op zijn gezicht, het gevolg van een operatie die hij als klein kind onderging. Hij weet de nacht te overleven, omdat hij op de valreep wordt gered door een oude, excentrieke man in een woonwagen. Samen met het blinde meisje Dea en de wolf Homo trekt dit vreemde gezelschap van stad naar stad, om er zelfgeconstrueerde toneelvoorstellingen te geven. Maar dan spoelt er op de kust een fles met een brief aan die de afkomst van Gwynplaine onthult.

Hij die moedig kou, dorst en honger had weten te verdragen. Hij die, fysiek een pygmee, geestelijk een gigant was geweest. Deze Gwynplaine die de ontzaglijke wind van de onmetelijkheid in zijn tweevoudige vorm, Storm en Misère, had overwonnen, aan het wankelen gebracht door een licht briesje: dat van de ijdelheid! Zo begint het Noodlot, wanneer het alle ellende, gebrek, stormen, geraas, rampen, doodsnood heeft uitgeput en een mens overeind is gebleven, te glimlachen, en de mens, plots dronken geworden, struikelt. (pag. 437)

Maar liefst 615 bladzijden had de schrijver ooit nodig om dit vrij eenvoudige, maar mooie verhaal te kunnen afwikkelen. En dan nog een dertigtal bladzijden waarin alle moeilijkere begrippen worden uitgelegd. Dat is erg veel, en dat maakt van dit boek dan ook een erg lange, langzame rit. Er zijn enkele duidelijke, aanwijsbare redenen te vinden waarom dit boek zo dik, en eigenlijk ook vermoeiend, is. Ten eerste was Hugo een schrijver die het motto 'meer is beter' aanhield: waarom zou je iets dat in één zin kan gezegd worden, niet uitsmeren over twintig bladzijden. Een personage in het verhaal voelt een bepaalde emotie opwellen? Ah, laat ons daar dan maar eens uitgebreid over filosoferen, en op honderd verschillende manieren uitleggen hoe deze emotie kan beleefd worden. Het hoofdpersonage betreedt het Engels parlement? Ah, laat ons dan eens nauwgezet uitleggen hoe dat hele systeem van lords, peers, baronnen en burggraven in elkaar zat, wat de gebruikelijke rituelen en tradities inhielden en hoe de gebouwen er tot in detail uitzagen.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik, tijdens de lange, hete zomer, meermaals in de tuin in slaap ben gesukkeld met dit zware boek in handen, en vaak hele hoofdstukken te snel heb doorgenomen om er vanaf te zijn. Want laat me eerlijk zijn: elke moderne schrijver had het eigenlijke hoofdverhaal weten te vertellen in amper 200 pagina's en de meer historische bijzaken overgelaten aan geschiedschrijvers en encyclopedisten. Geen enkele uitgever zou zo'n turf vandaag nog zonder ingreep richting boekenwinkel laten passeren.

**

Haenen, P. (2020), Ik heb bekend - Dagboeken 1958-1965, Uitgeverij Podium Amsterdam

Enkele maanden geleden was ik onderweg met de auto, toen ik op Radio 1 een interview hoorde met Bert van Sesamstraat. Van Bert en Ernie, je weet wel. Althans, dat dacht ik aanvankelijk, maar het bleek natuurlijk om een interview te gaan met 'de man achter de stem', Paul Haenen, vooral in Nederland een bekende figuur. Ik hoorde de interviewer iets opmerken in de zin van: 'Het is veel meer dan zomaar een boek; het is in feite een facsimile, een zeer getrouwe weergave van uw dagboeken.' Deze opmerking trok meteen mijn aandacht, want om een of andere reden ben ik altijd wel geïnteresseerd in (kopieën van) authentieke oude documenten, dus stopte ik enkele minuten later bij de boekhandel om blindelings een exemplaar te bestellen, niet eens wetende wat ik precies in handen zou krijgen. In de inleiding maakte Paul Haenen mij dit zelf duidelijk:

Al bijna zestig jaar sleep ik bij verhuizingen mijn dagboeken met me mee. Soms in dozen maar soms ook in vuilniszakken, met het gevaar dat ik mijn dagboeken aan de vuilnisman meegeef. Ik heb de belangrijkste dagboeken geschreven tussen mijn twaalfde en negentiende. Omdat ik er min of meer een openhartig en sensationeel tijdschrift van maakte, werden het geen doorsneedagboeken. Een soort Telegraaf over je eigen leven, je eigen familie, je eigen ambitie en ook je eigen eenzaamheid. (...) Eigenlijk maak ik in m'n dagboeken een begin met het werk dat ik later zou gaan doen: interviewen, schrijven en optreden. (pag. 9)

Wat zou volgen was daarmee dus al meteen zonneklaar, al besefte ik pas gaandeweg dat er in deze inleiding één woord flink overdreven blijkt, namelijk het bijvoeglijke naamwoord 'sensationeel'. Want laat dit fraai uitgevoerde boek nu net alles behalve sensationeel zijn. Sta me toe te zeggen dat de eerste 220 bladzijden zelfs ronduit saai zijn. De tiener Paul Haenen blijkt in 1958 een eenzaat wiens leefwereld zeer beperkt is. Hij tracht zich in te leven in de denkwereld van zijn ouders, schrijft kritische brieven aan directeurs van Nederlandse televisiezenders en is terecht bezorgd over zijn schoolresultaten. Verder, driewerf helaas, gaat dit boek aanvankelijk nergens over. Het tweede deel van het boek schetst nog kort Haenens 'coming-out', waarin hij voor zichzelf toegeeft dat hij homoseksueel is en gedwongen dient na te denken over de verdere aanpak hiervan, want 'compleet onbespreekbaar in het Nederland van de jaren 60'.

Zover wil ik het krijgen, op dat punt wil ik komen, dat ik gewoon in gezelschap kan zeggen 'ik, als homoseksueel', wanneer het een gesprek over homoseksualiteit betreft. Zover ben ik nog niet, nog lang niet, dat kan nog wel enkele jaren in beslag nemen, hoewel het eens zeker zal komen. Ik moet dan eerst het punt bereiken dat ik me er totaal niet voor schaam, dat punt heb ik nou bijna bereikt. (...) Gewoon agressief, bom, ravage aanrichten, gewoon er rond voor uitkomen, ik ben ervan overtuigd dat ik dat punt zal bereiken. Ik geloof dat je dan wel zelfverzekerder leeft, veel bewuster, vol agressie zeggen: 'Ik, als homoseksueel.' (pag. 266)

Ik had het liever anders gezien, maar dit netjes verzorgde boek kon mij op geen enkel ogenblik interesseren. Eventjes heb ik gedacht dat ik er op een dag eens een puber die aan zijn geaardheid twijfelt blij mee zou kunnen maken, maar zelfs dan zou ik 'm aanraden om de eerste tweehonderd bladzijden maar meteen over te slaan. Paul Haenen zelf mag dan wel een grootheid zijn binnen de Nederlandse media, het resultaat van zijn verzamelde dagboeken blijkt van een ondraaglijke lichtheid.

*

Williams, J. (1972 / heruitgave 2014), Augustus, Lebowski Publishers, Amsterdam

Brief van Octavius Caesar aan Nicolaus van Damascus, 14 na Christus

De jongeman, die de toekomst niet kent, ziet het leven als een soort episch avontuur, een odyssee over vreemde zeeën en langs onbekende eilanden, waarin hij zijn krachten zal beproeven en bewijzen, en aldus zijn sterfelijkheid zal leren kennen. De man van middelbare leeftijd, die de toekomst heeft geleefd waarover hij eens droomde, ziet het leven als een tragedie, want hij heeft gemerkt dat zijn krachten, hoe groot ze ook waren, niet opgewassen zijn tegen de krachten van het toeval en de natuur, die hij voorziet van de namen van de goden, en heeft geleerd dat hij sterfelijk is. Maar de man op leeftijd moet, als hij de hem toegewezen rol goed speelt, het leven als een komedie zien. Want zijn triomfen en zijn mislukkingen voegen zich aaneen, en de een is niet meer aanleiding voor trots of schaamte dan de andere. Net als elk armzalig, meelijwekkend omhulsel van een acteur, leert hij inzien dat hij zoveel rollen heeft gespeeld dat hij zichzelf niet meer is. (pag. 374)

Na het herlezen van Robert Harris' Cicero-trilogie (zie onder) vond ik het opportuun om ook nog dit andere boek te herlezen, dat vanzelf zou kunnen doorgaan voor het vervolg op Harris' Dictator. Augustus, een van de vier romans van John Williams - die tegenwoordig vooral postuum bejubeld wordt voor dat andere boek van hem, Stoner - werd al geschreven tussen 1967 en 1972, lang voor Harris' prachtige reeks, maar beide auteurs baseerden zich zo getrouw mogelijk op waargebeurde feiten bij het schrijven over historische figuren waar nu eenmaal vrij veel over geweten is. Wat hen vooral bindt, is de uiterst vlotte schrijfstijl waarmee ze al deze vrij zware kost zo levendig in licht verteerbare zinnen weten vast te leggen. Dat is dan ook precies de reden waarom zowel Williams als Harris niet genoeg bejubeld kunnen worden. 'My God, to read without joy is stupid,' merkte Williams daarover zelf ooit op. Volgens hem moest elke zin een genot op zich zijn. Zijn vierde roman Augustus zou meteen ook zijn laatste worden.

In Dictator beschrijft Robert Harris de nadagen van Cicero, waarin de intussen bejaarde redenaar de moord op Julius Caesar en de strijd om diens erfenis nog meemaakt vanop de eerste rij, en vervolgens aan de jonge Octavius nog wat advies meegeeft rond macht en politiek. Het boek van Williams borduurt verder op deze gebeurtenissen. Voor liefhebbers van Cicero - waartoe alle lezers van Harris' trilogie zich allicht wel zullen rekenen - is er bijgevolg het goede nieuws dat de oude man in dit boek nieuw leven wordt ingeblazen en pas op de honderdste bladzijde (opnieuw) aan zijn noodlottige einde komt. Vervolgens leren we hoe de jonge Octavius afrekent met Marcus Antonius, de 'bad guy' die onder andere de moord op Cicero op zijn geweten heeft.

Brief van Marcus Antonius aan Gaius Sentius Tavus, 44 voor Christus

Ik zal nooit begrijpen waarom de 'grote' Caesar zijn naam, zijn macht en zijn vermogen aan deze jongen heeft nagelaten. Ik zweer bij alle goden dat als het testament niet eerst in de tempel van de Vestaalse Maagden was ontvangen en vastgelegd, ik hoogstpersoonlijk had geprobeerd het te veranderen. Ik geloof niet dat ik me zo aan hem had geërgerd als hij zijn arrogantie in de ontvangkamer had achtergelaten en als ieder ander lijn werkvertrek was binnengelopen. Maar dat deed hij niet. Hij kwam binnen met zijn drie vrienden aan zijn zij, die hij aan me voorstelde alsof ik me verdomme voor een van hen interesseerde. Hij sprak me met een gepaste mate van beleefdheid aan en wachtte vervolgens tot ik iets zou terugzeggen. Ik keek hem lang aan en sprak niet. Wat voor hem pleit, is dat hij zijn hoofd koel hield. Hij brak niet en zei niets, en ik kon zelfs niet zien of hij boos was omdat ik hem zolang had laten wachten. (pag. 47)

Vergeleken met Harris tapt Williams gaandeweg toch steeds meer uit een ander vaatje. Augustus toont veel minder het politieke gekonkel achter de schermen van het Oude Rome, met de nodige complotten en mannen die op welke manier dan ook de macht willen grijpen. Op het forum van Augustus blijft het opvallend rustig. De innerlijke wereld van de verschillende protagonisten wordt uitbelicht, waarbij in het tweede deel van dit boek vooral de wereld van Julia, dochter van de machtige keizer, wordt herschapen. Ook verhaaltechnisch gaat John Williams anders te werk. Hij bouwt zijn verhaal op aan de hand van dagboeknotities, brieven, memoires en reisverslagen, vaak neergepend door de meest vooraanstaande protagonisten zelf, maar evengoed ook door randfiguren: een militair, een leraar, de jonge dokter die bij Augustus in dienst is. Deze verteltechniek zorgt voor een evenwichtige kijk op de zaken, bekeken vanuit verschillende invalshoeken.

Het dagboek van Julia, Pandateria, 4 na Christus

Ik ben Julia, dochter van Octavius Caesar, de Augustus, en ik schrijf deze woorden in mijn drieënveertigste levensjaar. (...) Zelfs al zou ik het willen, dan nog is het onwaarschijnlijk dat iemand anders dan ik er een blik op zou werpen. Maar dat hoeft niet van mij. Ik hoef mezelf niet te verantwoorden tegenoverde wereld, en de wereld hoeft mij niet te begrijpen; voor geen van beide ban ik nog van betekenis. Want hoe lang ik ook nog zal leven in dit lichaam, dat ik zo vele jaren met zoveel zorg en vaardigheid heb gediend, het deel van mijn leven dat ertoe deed, is afgelopen. Dus mag ik ernaar kijken met de objectieve belangstelling van de geleerde die ik volgens Athenodorus zou zijn geworden als ik als man ter wereld was gekomen en niet als dochter van een keizer en god. (pag. 200)

Waarom de dochter van de keizer in ballingschap leeft, en hoe het met haar nu verder moet, is de vraag die de plot ijverig vooruit drijft vanaf het tweede deel van het boek. Maar het is slechts één van de kapstokken waaraan de schrijver handig zijn hele verhaal heeft opgehangen. Ik heb nogmaals volop genoten van Augustus, en nu ik mezelf dit prachtige boek heb aangeschaft hoop ik dat binnen enkele jaren nog eens een derde keer te herhalen. Meesterlijk!

*****

In 2013 werd nabij de luchthaven van Rome een portretbuste teruggevonden die Julia, de dochter van Augustus zou kunnen voorstellen. Let op voor spoilers in volgend artikel:

In Imperium stelt de slaaf Tiro ons voor aan zijn meester Cicero, een jonge advocaat vol politieke ambitie. Tot in detail beschrijft Tiro hoe zijn meester z'n woorden in de rechtbank zorgvuldig wikt en weegt, om langzaam maar zeker uit te groeien tot de  grootste redenaar van zijn tijd. Gesteund door zijn broers en zijn stuurse echtgenote neemt Cicero het op tegen stelende gouverneurs, corrupte politici en doortrapte misdadigers. Het brengt hem aan de top van de macht in Rome en hij besluit zich kandidaat te stellen voor het hoogst mogelijke ambt binnen het Romeinse imperium, dat van consul.

In Lustrum zien we hoe Cicero zich als jonge consul moet draaien en keren om zich te onttrekken aan alle verdorvenheid en corruptie die binnen de stad Rome de orde van de dag uitmaken. Wie is vriend en wie is vijand? Wie valt nog te vertrouwen? Keer op keer is het te danken aan zijn talent voor het kiezen van de juiste woorden dat Cicero zichzelf weet te behoeden voor een zekere ondergang. Machtige veldheren, zoals Pompeius en Crassus, zijn er steeds op uit om het laken naar zich toe te trekken, vrouwen spelen hun charmes maar al te graag uit en losgeslagen jongelingen als Clodius blijken ronduit gevaarlijk. En wie is toch die mysterieuze Caesar die overal blijft opduiken?

Met het beeld van een langzaam ouder wordende Sean Connery voor ogen vloog ik als een speer doorheen deze trilogie.

Harris, R. (2006/2009/2015), Imperium, Lustrum, Dictator, Uitgeverij De Bezige Bij, Antwerpen/Cargo, Amsterdam

Als hij carrière wilde maken in de politiek, en dat was zijn grootste ambitie, had hij professionele hulp nodig. Hij besloot daarom Rome voor enige tijd te verlaten, zowel om zijn geest te verkwikken als om de toonaangevende leermeesters in de welsprekendheid te raadplege, van wie de meeste in Griekenland en Klein-Azië woonden. Omdat ik zijn vaders kleine bibliotheek beheerde en enige kennis van het Grieks bezat, vroeg Cicero of hij me mocht lenen, zoals je iemand een boek te leen vraagt, om hem te vergezellen naar het oosten. Ik zou als taak krijgen om de voorbereidingen te treffen, het vervoer te regelen, leermeesters te betalen enzovoort, en na een jaar zou ik dan teruggaan naar mijn oude meester. Uiteindelijk, zoals menig nuttig boek, werd ik nooit teruggebracht.

(Imperium, pag. 13)

In tijden van quarantaine vind ik de nodige tijd om een aantal boeken te herlezen. Bovenaan mijn lijstje prijkte al jaren de Cicero-trilogie van Robert Harris - Imperium, Lustrum en Dictator - die dit jaar werd heruitgebracht in gebundelde vorm, goed voor een slordige 1120 bladzijden leesplezier zonder ook maar één moment van zwakte. In 2009 kocht ik Lustrum, puur op basis van cover en achterflap. Pas tijdens het lezen begreep ik dat dit boek een vervolg was op het eerder uitgebrachte Imperium, dus las ik beide boeken noodgedwongen in de omgekeerde volgorde. Daarna was het jaren wachten op het laatste deel van de trilogie, een periode waarin Robert Harris nog eerst twee andere romans publiceerde. Nu moet ik toegeven dat de rest van het oeuvre van deze schrijver - grotendeels bestaande uit politieke thrillers - mij vrijwel koud laat, met zijn nieuwste boek De Laatste Slaap als triest dieptepunt (zie recensie verderop). Maar laat het dus duidelijk zijn dat deze Cicero-trilogie naar mijn mening het absolute hoogtepunt vormt van Harris' omvangrijke oeuvre. Twaalf dagen heb ik er over gedaan om deze drie boeken te herlezen, dit keer in de juiste volgorde en zonder enige onderbreking. Ik moet zeggen dat ik het opnieuw, maar zoals verwacht, een dolle rit op een spectaculaire rollercoaster vond. 

Zijn huis stond aan het einde van een schoenmakersstraat en werd geflankeerd door twee scheefgezakte appartementengebouwen van zeven of acht verdiepingen hoog. (...) De huismeester nam onze mantels aan en leidde ons naar het atrium, waarna hij zijn meester op de hoogte ging stellen van Cicero's komst, ons achterlatend bij de dodenmaskers van Caesars voorvaderen. Vreemd genoeg bevonden zich maar drie consuls in Caesars directe familielijn, een mager getal voor een geslacht dat beweerde terug te gaan tot de stichting van Rome en zijn oorsprong te vinden in de schoot van Venus. (...) 'Je moet wel bewondering hebben voor die kerel,' zei Cicero nadat hij drie of vier keer het vertrek rond was geweest. 'Ik sta op het punt de belangrijkste man van Rome te worden, terwijl hij het nog niet eens tot praetor heeft geschopt. Maar ik ben degene die mijn opwachting bij hem moet maken!'

(Lustrum, pag. 28/29)

Cicero moet toekijken hoe de drie machtigste mannen van Rome - Caesar, Crassus en Pompeius - een triumviraat vormen en de macht naar zich toe trekken. Ondanks Cicero's verweer begint de oude Romeinse republiek barsten te vertonen. Vooral Caesar is van mening dat hij de oude senatoren geen verantwoording hoeft af te leggen en dat verkiezingen nodeloos veel tijd en geld vereisen. Lustrum eindigt in chaos. Cicero dient in ballingschap te gaan en de stad Rome als een dief in de nacht te ontvluchten.

In Dictator weet Cicero zich andermaal op te werpen als één de belangrijkste figuren binnen de stad Rome. Hij is geen veroveraar die naar buitenlandse gebieden trekt, maar wil koste wat het kost vanuit het hart van de stad de integriteit van de politieke tradities zien te bewaren, al wordt hij daarin steeds hardnekkiger tegengewerkt. Maar er is ook hoop: het triumviraat blijkt minder sterk dan gedacht en valt uit elkaar. 

De verwoesting van het senaatsgebouw had een hevige uitwerking op Cicero. De volgende dag ging hij erheen, onder zware bewaking en met een stevige stok bij zich, en klauterde rond in de smeulende ruïnes. Het zwartgeblakerde metselwerk was nog warm. De wind huilde door de gapende openingen en van tijd tot tijd kwam boven ons een stuk puin los en viel met een zachte plof in de aslagen. Zeshonderd jaar had die tempel daar gestaan - een getuige van de grootste momenten in het bestaan van Rome en dat van zichzelf - en nu was hij binnen een halve middag verdwenen. Iedereen, ook Cicero, nam aan dat Milo nu wel in vrijwillige ballingschap zou gaan, of zich in ieder geval niet meer in Rome zou vertonen. Maar daarmee onderschatte men de roekeloosheid van die man.

(Dictator, pag. 142)

De neerwaartse spiraal valt niet te stoppen. Alle hoofdrolspelers die het politieke toneel betraden, verdwijnen onverbiddelijk ook weer. Cicero dient afscheid te nemen van heel wat vrienden en vijanden, van bondgenoten, dierbare medestanders maar ook van familieleden. Het is de prijs die hij moet betalen voor zijn hoge leeftijd. Enkel Tiro, nu een vrije man die inmiddels ook een hoge leeftijd heeft bereikt, blijft hem bijstaan in alles wat hij nog onderneemt. Dictator wordt daardoor een soort Star Trek: The Next Generation, waarin alle vaste waarden van tafel worden geveegd en de hele puzzel opnieuw moet worden gelegd. Terwijl een adoptiezoon van Caesar, een zekere Octavianus, hem om raad komt vragen, stelt Cicero zichzelf ook steeds vaker filosofische vragen rond vriendschap, afscheid en angst voor de dood.

Hij en Cicero zaten te praten in de villa, of ze wandelden tussen twee regenbuien door samen langs de kust. Als ik ze zo zag, viel me een regel in uit Cicero's verhandeling over de ouderdom: 'Ik waardeer het als een jongeman iets ouds in zich heeft, net zozeer als ik het waardeer wanneer een oude man een vleugje jeugd in zich heeft'. Merkwaardig genoeg leek Octavianus soms de oudste van hen beiden: serieus, beleefd, eerbiedig, gewiekst. Cicero maakte de grappen en liet steentjes over de zee scheren. Hij vertelde me dat Octavianus nooit maar wat babbelde. Hij wilde enkel politiek advies. Het feit dat Cicero openlijk optrok met de moordenaars van zijn adoptievader leek hij van geen belang te vinden.

(Dictator, pag. 279)

Robert Harris heeft zich voor het schrijven van deze saga voortreffelijk geïnformeerd en zich overduidelijk zoveel mogelijk gebaseerd op authentieke, historische bronnen. Het resultaat is een dolle rit doorheen het oude Rome, waarbij je als lezer na afloop de gebeurtenissen al lang niet meer chronologisch kan doorvertellen. Het levensverhaal van Marcus Tullius Cicero is dan ook een van de boeiendste verhalen ooit. Het gaat over vriendschap en verraad, traditie en vernieuwing, opkomst en verval. Met het beeld van een langzaam ouder wordende Sean Connery voor ogen - geen idee hoe precies hij die rol veroverde -  vloog ik als een speer doorheen deze trilogie. Een enkel puntje van kritiek, wetende dat ook de auteur daar niets aan kan veranderen: in dit verhaal lopen zeer veel figuren rond die beurtelings een hoofdrol opeisen, en aangezien die allemaal minstens drie namen dragen (Publius Cornelius Lentulus Sura, Quintus Caecilius Metellus Pius...) wil er bij de minder oplettende lezer al eens wat verwarring optreden. Het is te danken aan de heldere vertelkracht van Robert Harris, bij monde van verteller Tiro, dat dit tot een absoluut minimum beperkt blijft. Goed, ik herinner me dat het boek Augustus van John 'Stoner' Williams precies begint waar Dictator eindigde. Dat is dan ook logischerwijs het volgende te herlezen boek op mijn persoonlijke lijstje. Ik verheug me nu al op weer zo'n heerlijke rit.

*****

Coben, H. (2015), De Vreemde, Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

De vreemde zette Adams leven niet één keer op zijn kop. Tenminste, dat zou Adam Price zichzelf later voorhouden, hoewel het niet waar was. Op de een of andere manier had Adam meteen geweten, vanaf de allereerste zin, dat zijn vertrouwde leven als tevreden, getrouwde vader van twee in een leuk huis in een kleine stad voorgoed voorbij was. De zin was op zichzelf niet zo bijzonder, maar er zat iets in de toon waarop hij werd uitgesproken, de overtuiging en de bezorgdheid die erin doorklonken, wat Adam deed vermoeden dat niets ooit nog hetzelfde zou zijn. 'Je had niet bij haar hoeven blijven,' zei de vreemde. (...) Zijn doordringende blauwe ogen keken Adam zo serieus aan dat hij zijn blik het liefst had afgewend. 'Ze had je verteld dat ze zwanger was, hè?' (Pag. 9)

Een vreemdeling spreekt Adam aan in de kroeg en haalt met een paar woorden zijn hele leven overhoop. Thuis is hij in shock en durft hij zijn vrouw niet te confronteren met wat hij plots over haar te weten kwam. Eigen onderzoek maakt het immers steeds waarschijnlijker dat de man immers de waarheid sprak. Maar dan laat Corinne hem plots achter met hun twee zonen. Het enige wat ze achterlaat is een kort, weinig zeggend tekstberichtje. Maar Adam is niet het enige slachtoffer. De vreemde man gaat ook nog langs bij andere, nietsvermoedende slachtoffers, wiens leven evengoed door zijn boodschap overhoop wordt gehaald.

'Er bestaat een website die vindjesnoepje.com heet,' zei hij. De vreemde had geleerd meteen recht op het doel af te gaan. Je vroeg het slachtoffer niet of ze tijd had om even te praten, of ze wilde gaan zitten of ergens een kop koffie wilde gaan drinken. Je gooide meteen alles op tafel. 'Die doet zich voor als een moderne datingsite. Maar dat is het niet. Mannen, rijke mannen die ruim in de slappe was zitten, melden zich daar aan om hun... tja, snoepjes te leren kennen. Ken je die website?' Heidi bleef hem enige tijd aankijken. Toen ging haar blik naar de vrouw, die geruststellend naar haar glimlachte. 'Wie zijn jullie?' (pag. 76)

Tijdens het verplichte 'corona-huisarrest' besloot ik enkele boeken te ruilen met mijn overbuurvrouw. Ik dropte Herman Koch, John Boyne en Rhys Bowen (zie onder) in haar brievenbus, en minuten later trof ik in m'n eigen bus enkele boeken aan die ik in de bib of boekhandel niet snel zou meenemen, maar die me toch fascineerden. Aan de boeken van Iris Houx en Daniel Cole moet ik nog beginnen, want het was De Vreemde van Harlan Cobden die het meest mijn aandacht trok. En dat boek deed effectief wat ik er van verwacht had: vanaf de eerste bladzijde wierp het fascinerende vragen op (wie is 'de vreemde', waar is Adams vrouw naartoe en wat speelt er zich op de achtergrond nu eigenlijk af?). Het bleek een pretentieloze thriller vol plot-twists, heel erg Amerikaans, ideaal voor een verfilming met pakweg Matt Damon of Robert Downey Jr. in de hoofdrol, en dus geknipt om een zaterdagavond op Q2 mee te vullen. Met andere woorden: vakwerk, goed bedacht, een terechte bestseller allicht ook, maar niet helemaal het genre waar ik spontaan warm voor zou lopen. Harlan Coben blijkt een auteur die dit soort boeken maar uit z'n mouw hoeft te schudden. Het probleem met dit soort thrillers is echter dat het aanlokkelijke mysterie achter de plot in het laatste hoofdstuk steevast de grond in wordt geboord door een vrij banale uitkomst (zie ook de recensie over Rhys Bowen hieronder). Er valt een geweerschot, er worden enkele neuzen gebroken en iemand kan ternauwernood uit een kelder ontsnappen? Check. De slechterik blijkt niet écht de slechterik, maar slechts een sukkel in dienst van nog een slechtere slechterik? Check. Een typische thriller dus? Check!

***

Saerens, Y. (2016), De dwarsligger, Uitgeverij Houtekiet Antwerpen

Het linkeroog van de doodgraver knippert feller dan tevoren. 'Ik ben alleen bezorgd om de nachtrust van u, de concierge, mezelf en bij uitbreiding de hele gemeenschap.' Dat doet de secretaris diep in- en langgerekt uitademen door zijn neus. 'Wat als hij toch...' Hij slikt. 'Wat als hij toch herrezen blijkt?' Die woorden steken als messen in zijn keel. Deo volente. Zo God het wil. 'Ik heb wel nog één voorwaarde. Als het zover komt, zal hij begraven worden zoals hij heeft geleefd: als een dwarsligger.'  (pag. 14)

Onder de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, pal in het midden, ligt een doodskist met het zeventiende-eeuwse skelet van een man. De archeologen die de overledene terugvonden noemden hem 'de dwarsligger', omdat zijn kist als enige niet in de rij ligt. Het gaat om het lichaam van Jan, een chirurgijn in het Knechtjeshuis van Antwerpen, die daar eertijds ook zelf opgroeide. Wanneer de pest eind 17de eeuw voor de laatste keer lelijk huishoudt in Vlaanderen, komt zijn verstandhouding met de religieuze gezagsdragers in de stad danig onder druk te staan.

Lange tijd volgt Ivan een vast parcours. Ondertussen is hij zo vertrouwd met de kathedraal dat hij geen tweemaal na elkaar dezelfde route neemt. Vandaag start hij bij de Engelentroon in de noordwestelijke hoek van het schip. Van daaruit doorkruist hij het schip richting het altaar van de Broederschap van het Allerheiligste Sacrament. Bij De Kruisafneming weidt Ivan uit over het tragische lot van Rubens' echtgenote Isabella Brant, die stierf tijdens de pestepidemie van 1626. Dat brengt hem bij de pest zelf. Hij vertelt over de paniek die alleen al het woord opriep en over de snaveldokters met hun hallucinante maatregelen. 'Kunnen we verdergaan?' De voorzitter van de Antwerpse kerkfabriek tikt op zijn horloge. 'We hangen vast aan een strak schema.' (pag. 21)

Ivan werkt als stadsgids en leidt buitenlandse toeristen rond in de kathedraal. Buiten de kerkmuren manifesteert hij zich als notoire rokkenjager, vanbinnen worstelt hij met zijn afkomst en de vraag waarom hij zijn ouders nooit heeft gekend. Tijdens een van zijn gidsbeurten wordt hij verliefd op een toeriste, Zoë. Zal zij er in slagen om Ivan te kalmeren?

Ik kocht De Dwarsligger op goed geluk toen het enkele jaren geleden verscheen, maar stuitte tijdens het lezen al meteen op een onoverkomelijk probleem. Van de lezer wordt doorheen het boek immers voortdurend gevraagd om heen en weer te springen tussen de jaren 1678 en 2006. Dat is telkens een hele opgave, zeker wanneer je daarbij iedere keer een spannend 'cliffhanger' voorgeschoteld krijgt waarbij het vervolg alweer enkele bladzijden op zich laat wachten. Daarom besloot ik halverwege mijn eerste lezing om de hedendaagse passages voorlopig over te slaan en eerst de hoofdstukken over 1678 te lezen, maar dat werkte ook niet. Daardoor kwam het boek vier jaar lang, half gelezen, op de plank terecht, tot het afgelopen week nog een herkansing kreeg. En kijk, dit keer las ik het in één ruk uit. En was het de moeite om het te hernemen, vraagt u zich af? Helaas. Naast het mankement dat ik zonet beschreef, vertoont het boek nog enkele andere problemen. Eerst en vooral lijkt Ivan, de protagonist uit 2006, mij een compleet onuitstaanbare kerel. Ten tweede, en dat is nog veel belangrijker, wordt de inspanning die de lezer moet leveren niet beloond. Je verwacht op z'n minst dat de verhalen beide protagonisten naar het einde van het boek toe verweven zullen raken, maar dat gebeurt eigenlijk niet. Er volgt géén grootse ontdekking in de crypte van de kathedraal, er vallen voor Ivan géén aanwijzingen naar de identiteit van de dwarsligger uit de lucht, maar beide verhalen lopen af in een oeverloos theologisch-filosofisch gemijmer en gewauwel. Wat overblijft is dus een mix van twee verschillende boeken die de schrijver om welke reden dan ook doorheen de mixer haalde, waarbij hij beide ontknopingen dan ook nog eens gebruikte als eerste hoofdstuk - je weet dus al meteen hoe het afliep met beide protagonisten - en waarbij Saerens er niet in slaagde om een duidelijke link tussen beide verhalen aan te tonen. Met andere woorden, je komt als lezer compleet misselijk uit je teletijdmachine gekropen en vraagt jezelf af wat je nu precies hebt gelezen, en vooral ook waarom.

**

Bowen, R. (2020), Het kind uit Toscane, Karakter Uitgevers, Uithoorn

Duizelig en misselijk keek hij om zich heen; hij deed zijn best om zijn hersens erbij te houden en te besluiten wat hij nu moest doen. De parachute bolde op toen de wind er vat op kreeg en hem dreigde weg te blazen. Dat moest hij niet hebben. Hij greep de touwen vast, probeerde op te staan en stortte van de pijn weer neer. Zijn been wilde hem simpelweg niet dragen. Hij trok de parachute naar zich toe, haalde hem binnen en worstelde met de wind om hem op te rollen. Hij was verrassend licht en het ging hem redelijk goed af om het ding in zijn hoes terug te stoppen. Nadat hij de parachute veilig had weggeborgen, klemde hij hem tegen zich aan en bekeek de situatie om zich heen. De heuvelrug rondom hem was beplant met rijen olijfbomen. (pag. 30)

Het is 1944 als de Britse piloot Hugo Langley met zijn parachute uit zijn neergeschoten vliegtuig springt. Hij landt in de groene velden van het door de Duitsers bezette Toscane. Dertig jaar later gaat zijn dochter Joanna, die worstelt met haar eigen trauma's, op zoek naar de geheimen die haar vader mee in zijn graf heeft genomen. In het Toscaanse dorpje San Salvatore blijken echter mensen te wonen die er alle belang bij hebben dat het verleden met rust wordt gelaten.

Toen de trein Florence naderde, zag ik de zaken in een positiever daglicht. Ik was op een queeste. Wat er ook gebeurde, ik had het gevoel dat wat ik deed goed was. Ik had geen idee hoe ik het dorp San Salvatore moest vinden. Ik had er op een kaart naar gezocht en het niet kunnen lokaliseren. Natuurlijk kon het zijn dat het niet meer bestond. In de oorlog waren plaatsen naar de vergetelheid gebombardeerd, dat wist ik wel. Maar ik was niet van plan het op te geven. (pag. 97) 

Ik moet toegeven dat ik me soms laat vangen aan een goed geformuleerde achterflap. Rhys Bowen is eigenlijk een alias voor Janet Quin-Harkin, die aan de lopende band het soort boeken schrijft dat verfilmd wordt voor de BBC: Murphy's Law, Her Royal Spyness, Four Funerals and Maybe a Wedding... Ik geef toe, dat is niet 'mijn ding' en als ik dit vooraf had beseft, dan had ik dit boek niet zomaar roekeloos gekocht, laat staan gelezen. Maar goed, dat heb ik dus wel gedaan. Viel dat niet mee? Toch wel. Het kind uit Toscane is zonder twijfel een spannend boek. Helaas valt het ten prooi aan heel wat tekortkomingen. Protagoniste Joanna heeft net zo veel, of misschien méér aandacht voor het Toscaanse eten als voor alle lijken die plots uit de kast komen vallen. Als een personage uit een goedkoop stationsromannetje valt ze voor de eerste Italiaanse loverboy die haar pad kruist (Hij droeg een wit overhemd, waarvan een paar knopen openstonden waardoor een gebruinde borst werd onthuld, en een donkere, nauwsluitende broek) en ze lost de grootste mysteries eerder op door toeval (een aardbeving doet zich preciés op het juiste moment voor, een afgesloten deur kan dan toch worden geopend zonder sleutel...) dan door clever denkwerk. Haar plots opgedoken, Amerikaanse halfbroer draagt niets bij tot het verhaal, de schurk die haar wil dwarsbomen stort zonder veel boe of ba te pletter in een ravijn en Joanna wandelt heel gewoontjes met een teruggevonden meesterwerk onder de arm uit het verhaal weg. Een Da Vinci, iemand?

Maakt dit alles van Het kind uit Toscane een slecht boek? Hoogstaande literatuur is het in ieder geval niet. Spannend wel, maar stop dan vroegtijdig met lezen - zo'n drie hoofdstukken voor het einde - en verzin je eigen einde, want Bowens vernuftig ogende puzzel blijkt een uiteindelijk maar een saai plaatje op te leveren.

**

Mytting, L. (2019), De zusterklokken, uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen

Ze stak haar handen onder de klok, maar liet ze weer vallen. Vroeg zich af of ze het recht wel had om de klokken hun vermogen om te luiden af te pakken. Toen deed ze het. Strekte haar armen uit en voelde hoe koud ijzer haar handen vulde. Het metaal lag in haar handen, zwaar en kil als een weegschaalgewicht. De haak sloeg tegen het brons en veroorzaakte een diepe brom die zich om haar heen vlijde. De toon veranderde langzaam en stierf weg, en ze bedacht dat als het geluid zichtbaar was geweest, het op bloeddruppels in water zou hebben geleken. (pag. 246)

Noorwegen in het jaar 1880, in een donker, afgelegen dal. De zelfbewuste Astrid Hekne is anders dan de andere jonge vrouwen in het dorp. Ze droomt van een leven dat uit meer bestaat dan trouwen, kinderen baren en het land bewerken tot ze er bij neervalt. In datzelfde jaar komt een jonge, ambitieuze dominee naar Butangen, vol grootse plannen en nieuwe ideeën. Al snel wordt duidelijk dat zijn plannen ook de afbraak van de eeuwenoude staafkerk van het dorp omvatten. Daarmee zouden ook de legendarische 'zusterklokken' verloren gaan, die ooit door een rouwende voorvader van Astrid aan de kerk werden geschonken en het dorp sinds mensenheugenis hebben beschermd voor allerlei onheil. Astrid komt in opstand door de afbraak van de kerk, maar moet daarbij rekening houden met de mythische verhalen die al eeuwenlang de ronde doen. Bovendien ontdekt ze de liefde.

Astrid dacht aan wat haar grootvader had gezegd: 'Vraag je af waarvoor de mensen je zullen herinneren. Als we jaren later iemands leven navertellen, is er geen ruimte voor veel woorden. Ik denk niet dat ik in ieders herinnering zal voortleven, behalve dan vanwege het feit dat ik heb geprobeerd om goed te doen misschien, en dat is zo moeilijk na te vertellen. Mensen worden herinnerd voor dingen die in metaal gegoten zijn of van hout gebouwd, of geweven, geschilderd of geschreven. Slechtheid of domheid, niet in het klein maar in het groot, herinneren mensen zich ook.' Ze ging naar haar kamertje en haalde de tekening tevoorschijn die ze van Gerhard Schönauer had gekregen. Zijn tekeningen straalden liefde uit. (pag. 184)

Enkele jaren geleden las ik Lars Myttings debuutroman, De Vlamberken, en ontdekte daarbij het talent van deze schrijver om een unieke, Noorse sfeer op te roepen. Helaas bleek het enige andere boek van hem op dat moment een praktische handleiding voor het bewerken van hout. De korte inhoud van zijn tweede roman, Paardenkracht, over een man en zijn oldtimers, kon me niet voldoende boeien om aan dat boek te beginnen. Maar nu is er dus deze De Zusterklokken, waarmee Mytting weer helemaal terug is. In dit prachtige verhaal verkent de schrijver voortdurend de dunne grens tussen stokoude Noorse mythes enerzijds, en de realiteit van ijskoude winters, uitgehongerde dieren en doodgeboren kinderen anderzijds. Hier en daar bevat de verhaallijn onopgeloste nevenplots (het verdwenen Hekne-tapijt en de ongeopende doodskist van de siamese zusters) die het hele boek nog oneindig veel mysterieuzer hadden kunnen maken, maar blijkbaar heeft Mytting er bewust voor geopteerd om die weg niet te bewandelen. Zo blijft het resultaat van zijn schrijven een subtiele mijmering over de strijd tussen traditie en vernieuwing.

****

Chevalier, T. (2019), Een losse draad, uitgeverij Orlando Amsterdam.

'Dat lijkt me een saai boek om te lezen,' merkte een leerling op tijdens het wekelijkse leesuurtje in de klas. 'Dat is het ook, 'moest ik toegeven. 'Waarom leest u het dan?' vroeg het nieuwsgierige meisje. 'Omdat ik er nu eenmaal in begonnen ben, en misschien wordt het nog wel wat,' antwoordde ik. Gemakkelijkheidshalve verzweeg ik maar dat ik aanvankelijk, op de lijnvlucht naar Dublin, in een ander boek was begonnen (De hongerigen en de verzadigden van Timur Vermes) maar dat ik, voor de terugvlucht, was overgeschakeld op het boek dat mijn vrouw voor zichzelf had meegenomen. Een losse draad bleek al veel toegankelijker dan Timur Vermes' dikke turf over Duitse politiek en de huidige migrantenstroom.


Engeland, 1932. De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zijn nog altijd voelbaar. Voilet Speedwell verloor zowel haar broer als haar verloofde en wordt dus door de maatschappij gezien als een 'overtollige vrouw', gedoemd om haar leven te slijten als een oude vrijster. Vastbesloten om haar verstikkende moeder te ontvluchten en haar eigen plekje te vinden, verhuist ze naar Winchester. Daar sluit ze zich aan bij de brodeuses, een groep vrouwen die de knielkussens voor de kathedraal maken.

Een tiental vrouwen werkte aan een grote tafel, terwijl mejuffrouw Pesel en mevrouw Biggins vragen beantwoordden en tips gaven. Violet concentreerde zich op haar oefenlap en probeerde elke steek eender en even strak te maken. Na een tijdje merkte ze dat het niet meer al haar concentratie vergde en ze ook meekreeg wat er om haar heen werd gezegd. De brodeuses spraken vooral over hun kinderen en kleinkinderen, hun buren, hun tuinen, de maaltijden die ze bereidden en hun vakanties. Iedereen luisterde beleefd, maar zonder al te veel interesse. Ze wachtten simpelweg tot het hun beurt was om iets te zeggen. En, zoals altijd in zulke situaties, waren de getrouwde vrouwen vaker aan het woord dan de alleenstaande, alsof ze over een natuurlijke autoriteit en een hogere plaats in de hiërarchie beschikten die door niemand in twijfel werd getrokken. (pag. 67)

Helaas werd de verwachting die ik had uitgesproken, dat het met dit boek vast nog wel iets zou worden, niet ingelost. Driehonderd trage bladzijden lang beklemt het boek de lezer, net zoals Violet zich bekneld weet in haar situatie. Ze heeft weinig geld, weinig toekomst en weinig kansen om haar situatie te verbeteren in dit uiterst puriteinse Engeland tussen twee wereldoorlogen in, en dus wordt de tijd gevuld met borduren en het luisteren naar de kerkklokken. Dat zijn dan ook de enige twee zaken die de lezer voorgeschoteld krijgt: borduren en het luiden van kerkklokken. In hoofdstuk 9 trekt Violet er in haar eentje op uit voor een dagenlange trektocht.

Violet had eerder al wandelingen gemaakt - op de Southampton Common, over de boulevard van Portsmouth, op het Isle of Wight en op St. Catherine's Hill nabij Winchester - maar daar was ze altijd onder de mensen geweest en werd er uitgekeken naar haar terugkomst. Ze had nog nooit in haar eentje over de velden gelopen. Toen ze zich er een voorstelling van had gemaakt, leek dat heel reëel, maar nu ze het daadwerkelijk moest doen, baande de angst zich een weg van haar maag naar haar keel. Alleen door de alternatieven - twee weken in Hastings met haar moeder en tante of thuisblijven in Winchester, bordurend bij de radio in de bedompte zitkamer, met kopjes slappe thee en de rusteloos tjilpende parkietjes - vermande Violet zich en liep ze door. (pag. 107)

Even kan de lezer nog de hoop koesteren dat Violets tocht zal leiden tot diepere inzichten of een dramatische wending in haar leven, maar helaas. De vreemde man door wie ze wordt achtervolgd, blijkt slechts een onbenullige randfiguur. Verder gebeurt er weinig tot niks. Violet keert al snel weer terug naar huis voor meer borduurwerk, wat gedoe met twee lesbische vriendinnen (ongezien in het Engeland van die tijd), een romantisch momentje met een oudere, getrouwde man (een klokkenluider uiteraard) en meer gezeur van haar moeder. Een losse draad mag dan misschien een spannend boek zijn voor Engelse dames van middelbare leeftijd die hun geluk vinden in talloze subtiele details, maar mij heeft het amper weten te boeien. Volgende keer toch maar wat meer naar de ongedwongen mening van mijn leerlingen luisteren.

*

Fairweather, J. (2019), Vrijwillig naar Auschwitz, Prometheus Amsterdam

Himmler wilde met eigen ogen het vernietigingsproces in Birkenau aanschouwen. Een transport Nederlandse joden was speciaal achtergehouden voor zijn komst. Hij keek toe hoe de families uit de wagons werden geladen, van hun bezittingen werden ontdaan en werden geselecteerd. Een groep van 449 mannen, vrouwen en kinderen werd geselecteerd om te vergassen in het witte huis. Hij volgde hen ernaartoe om het ontkleden en verzegelen van de deuren te aanschouwen, en hij hoorde het geschreeuw, gevolgd door de stilte. Himmler ging later die dag naar een etentje in Katowice dat was georganiseerd door de plaatselijke gouwleider. daar onthulde hij onder het genot van een sigaar en een glas wijn aan een select groepje Hitlers plan om alle joden in Europa uit te moorden, ervan overtuigd dat het geheim van het kamp er veilig was. Enkele dagen later smokkelde de ondergrondse een pakket documenten het kamp uit. (pag. 232)

Auteur Jack Fairweather puzzelde aan de hand van honderden documenten en getuigenissen een waargebeurd verhaal bij elkaar dat al decennialang voor het grote publiek verborgen was gebleven. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog was er nog weinig interesse geweest voor getuigenissen over Auschwitz. De verontwaardiging die was gevolgd op de geallieerde bevrijding van de concentratiekampen in 1945 was vervaagd. De Koude Oorlog tussen Amerika en de Sovjet-Unie domineerde al snel het nieuws van de dag. Pas na de val van de Sovjet-Unie in 1989 kreeg Andrzej, de zoon van verzetsheld Witold Pilecki, toegang tot het staatsarchief in Warschau om er een grote, leren aktetas vol documenten van zijn vaders hand in ontvangst te nemen. Het was de eerste keer dat de familie in contact kwam met Witolds rapporten over zijn jaren in Auschwitz, verslagen van ondervragingen en de sleutel tot zijn gecodeerde verwijzingen.

Het verhaal ging rond dat de SS in juni een concentratiekamp had opgezet in voormalige Poolse legerbarakken bij het stadje Oswiecim, dat door de Duitsers Auschwitz werd genoemd. Dergelijke kampen waren gemeengoed in het politieke leven in Duitsland sinds Hitler aan de macht was gekomen. (...) De ondergrondse wist weinig over het kamp, maar hoorde dat de Duitsers er steeds meer gevangenen naartoe stuurden. (...) Toen wendde Jan zich tot Witold. De spanning tussen het tweetal was voelbaar. 'Er valt je een grote eer toe,' zei Jan. Ze hadden het over concentratiekamp Auschwitz gehad, legde hij uit. Rowecki was van mening dat de Duitsers met alles weg zouden komen zolang het kamp in geheimzinnigheid gehuld zou blijven. Hij had iemand nodig om het kamp te infiltreren, informatie te verzamelen en indien mogelijk een verzetscel en een uitbraak te organiseren. 'Ik heb jou genoemd als enige officier die de taak kan volbrengen.' Witold moest zijn best doen om te verbergen hoe geschokt hij was. (pag. 56)

Jarenlang blijkt Witold Pilecki te hebben geprobeerd om rechtstreeks vanuit het kamp verslag uit te hebben gebracht van de gruwelijke taferelen die hij er als gevangene moest aanschouwen. Helaas bleek de wereld op dat moment andere prioriteiten te hebben. Er moest namelijk een oorlog worden beslecht. Vrijwillig naar Auschwitz is geen roman, maar een zeer goed gedocumenteerd, waargebeurd verhaal dat geen enkele auteur had kunnen verzinnen. Witold kreeg zowat de hele oorlog als een bulldozer over zich heen. Hij zag het Duitse leger Polen binnenvallen, richtte een verzetscel op, liet zichzelf bewust opsluiten in Auschwitz, ontsnapte en hielp in 1945 de stad Warschau mee te bevrijden van de Duitse agessor. Het spreekt dan ook voor zich dat Vrijwillig naar Auschwitz geen boek is voor gevoelige zielen. Meerdere passages zijn ronduit ondraaglijk om te lezen. Schitterend als historisch document, dat wel, maar enkel voor de geïnteresseerde lezer.

***

Van Leeuwen, J. (2015), De onervarenen, uitgeverij Em. Querido, Amsterdam

Mijn moeder kwam thuis met geld en een vouwblad. Ze liet het me zien toen ik haar een portie geredde aardappelen met ui en kaantjes bracht. Het lag in de winkelbibliotheek, zei ze. Drie leden van de Maatschappij voor Overzeese Volksplanting zouden in d stadsfeestzaal spreken over een nieuwe toekomst. Er stond een verhaal in over een volksplanting ergens ver weg, met ruimte en mooi weer. Het was niet duidelijk of die volksplanting al bestond of dat die nog moest worden opgezet. (...) Een gravure toonde vriendelijke witte huisjes rond een groot grasveld. De verte leek een zee. Zullen we alleen al uit nieuwsgierigheid naar die bijeenkomst gaan, opperde mijn moeder. Als ik niet in een andere tijd kan leven, dan misschien wel op een andere plaats. Ze zweeg even. Toen zei ze dat ergens ver weg niemand zou weten dat ze in het krankzinnigengesticht had gezeten. (pag. 54)

Halverwege de negentiende eeuw stichtten arme Europeanen, aangespoord door propaganda, nieuwe nederzettingen - volksplantingen - in Midden- en Zuid-Amerika, niet niet altijd tot bloei kwamen of zelfs ronduit mislukten. Zo belandden er onder anderen Belgen in Guatemala, Zeeuwen in Brazilië en 'boeroes' in Suriname.

Ook de in armoede levende Odile en haar man Koben twijfelen of ze zullen ingaan op het aanbod van de Maatschappij voor Overzeese Volksplanting. Er wordt hen een gouden toekomst voorgespiegeld aan de andere kant van de oceaan. Samen met vijftig streekgenoten wagen ze uiteindelijk de oversteek, vol hoop, om te ontdekken dat ze na een uitputtende bootreis aan hun lot overgelaten worden in een onvruchtbaar stukje tropisch land. De vraag is of zij zich zullen aanpassen aan de nieuwe omstandigheden, of zullen vasthouden aan hun eigen gewoontes.

Elke akker had een cijfer dat op paaltjes terug te vinden was. Jullie krijgen een cijfer dat op een paaltje staat, vertaalde mijn moeder. Hij wijst jullie de weg naar de akkers. De anderen moeten hier blijven, eerst moeten de akkers verdeeld worden. Ze kregen alle twaalf een vodje papier met hun cijfer erop. Koben drong voor om de eerste te zijn, maar de cijfers lagen niet op volgorde, hij had nummer tien. (...) Koben vertelde me achteraf wat hij dacht toen hij bij de akkers aankwam: dat het helemaal geen akkers waren, want wat hij zag was een enorm overwoekerd terrein met verbrande boomstronken en verkoolde boomstammen die ertussen lagen. (pag. 133)

Joke van Leeuwen maakte van haar roman over deze 'onervarenen' niet zomaar een geschiedenisboek. De omstandigheden die zij beschrijft, vormen slechts de context voor een  zeer menselijk verhaal vol emoties. Zo ziet Odile, de onervaren protagoniste, lotgenoten ziek worden, het loodje leggen, krankzinnig worden of ten onder gaan aan uitbuiting. De Onervarenen is best een onderhoudende roman, al duurt het vrij lang voor de auteur to-the-point komt en de echte actie kan beginnen. Men dient eerst de voorgeschiedenis van Odile en Koben tot zich te nemen en vervolgens ook nog eens een lange bootreis te doorstaan, die niet alleen uiterst veel geduld zal vergen van beide protagonisten, maar uiteindelijk ook van de lezer zélf. Dat is jammer, want zodra het verhaal interessant wordt, zijn er al 130 bladzijden voorbij gewaaid en resten er nog slechts een honderdtal. Let op, dit zijn dan wel honderd fascinerende bladzijden die de hele rit uiteindelijk nog de moeite waard maken. Het relatief dunne boekje is in een wip uit, maar blijft na afloop nog voldoende beklijven.

***

Pfeijffer, I. L. (2018), Grand Hotel Europa, Arbeiderspers/NL

Ilja Leonard Pfeijffer neemt zijn intrek in het illustere, maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om een aantal zaken te overdenken. Hij reconstrueert een meeslepend verhaal van liefde in tijden van massatoerisme, van zijn reizen en een spannende zoektocht naar het laatste schilderij van Caravaggio. Intussen raakt hij gefascineerd door de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij betrokken bij het wedervaren van de personages die het bevolken, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.


Hij zag eruit als een man die elk moment zou kunnen uitbarsten in een potje golf. Veel was geruit aan hem. Zijn gade had de leiding over de operatie van het inchecken. Haar routine verried dat ze wel meer bestierde. Ze droeg wijde Indiase gewaden, die waarschijnlijk bedoeld waren om haar een jeugdig en vrijgevochten voorkomen te verschaffen, maar die voornamelijk als effect sorteerden dat ze haar omvangrijkheid accentueerden. Onder al dat geflodder huisde een vrouw die goed was in het bakken van appeltaarten. (...) Het meisje was een energiek kauwgumkauwend vampje van de leeftijd waarop ze het huppelen nog niet was verleerd, maar al wel had begrepen dat vrouwen met hun oogopslag gevaar kunnen stichten. Hoewel het niet speciaal warm was, droeg ze hotpants en ze was misschien nog net jong genoeg om in geval van nood onder druk met succes te kunnen volhouden dat ze daar niets mee bedoelde. (pag. 175/176)

Op de cover van deze vuistdikke roman lijkt een laagje bladgoud aangebracht op het woord 'Europa'. Gaandeweg merk je als lezer echter, door het boek vast te houden bij het lezen, dat dit laagje goud stilaan verdwijnt. Europa verliest zijn glans en verbleekt. Laat dat nu net ook de boodschap zijn die de schrijver over een volle 550 bladzijden op alle mogelijke manieren blijft uitsmeren. Dat doet hij door middel van anekdotes waarbij hij enige stereotypering niet schuwt. Chinese toeristen, Amerikaanse toeristen, Italiaanse vampen of Franse dichteressen, ze spelen allemaal precies de rol die ze horen te spelen binnen de verloedering van het Europese continent. Heel onderhoudend allemaal, al schuwt Pfeijffer ook het louter didactische niet. Net daarin schuilt echter ook de zwakte van dit boek. Op gezette tijden spendeert de schrijver hele hoofdstukken aan wetenschappelijk onderbouwde feiten die op zich wel interessant zijn, maar elke literaire vaart uit het verhaal wegzuigen. Zodra de lezer zich heeft ingeleefd in personages als Clio, Memphis of Abdul, moet hij zich weer even door lange uiteenzettingen worstelen over toerisme in Amsterdam of Giethoorn, het leven van Caravaggio, een Italiaans congres over het Europese kunstpatrimonium of de pro's en contra's van massatoerisme, om er maar enkele te noemen. Zoals Pfeijffer zichzelf soms laat verdwalen in de gangen van het grote, lege hotel Europa - op zoek naar de eigenares die haar kamer al decennialang niet meer heeft verlaten - zo verliest hij zichzelf ook in al dit gemeimer over hedendaagse trends, kunst en politiek, migratie en toerisme.

Separatisme komt voort uit heimwee naar betere tijden die al dan niet ooit werkelijk zijn geweest. Het is een verleidelijke gedachte dat de oplossing voor de problemen van vandaag gelegen is in het terugdraaien van de klokken naar een dag dat die problemen nog niet bestonden. Dat is de lokroep van het rechtse populisme, dat in de kern van de zaak nostalgisch is. Onvrede en angsten worden gecreëerd, aangewakkerd en uitvergroot, om vervolgens een idyllisch en geïdealiseerd verleden als oplossing te presenteren. We moeten onze grenzen weer sluiten, onze lieve, oude munt herinvoeren, kerkklokken laten beieren en moskeeën sluiten, de dienstplicht in ere herstellen, het volkslied zingen en ons vroegere fatsoen van zolder halen en oppoetsen tot een glanzend baken in de duistere nacht. Dat deze nostalgische boodschap massaal weerklank vindt in heel Europa, is een veeg teken. Als een significant en groeiend deel van de bevolking bereid is te geloven dat vroeger alles beter was, kunnen we met recht spreken van een oud en moe geworden continent, dat als een bejaarde voor zich uit staart zonder nog iets van de toekomst te verwachten en mijmert over betere tijden toen winters nog echte winters waren en zomers eindeloos duurden. Een beter bewijs voor de stelling dat Europa een gevangene is geworden van zijn eigen verleden, is er niet. (pag. 100/101)

Betekent dit nu dat deze dikke turf bij momenten saai is? Helemaal niet. Hier en daar eens enkele bladzijden sneller lezen dan de vorige kan geen kwaad, maar uiteindelijk heeft elke passage zijn belang binnen het geheel. Maar betekent het ook dat de lezer die vooral uit is op een spannend verhaal, met een boeiende interactie tussen de verschillende personages en een climax als ultieme ontknoping, enigszins op zijn honger blijft zitten? Helaas ja, dat dan weer wel.

****

Scharer, W. (2019), Het gouden uur (Lee Miller en Man Ray in Parijs), Nieuw Amsterdam

Hij maakt eindeloos foto's van haar. Zijn toestel lijkt wel een derde persoon in de slaapkamer en ze doet net zo verleidelijk voor de camera als voor hem. Ze drukken de beelden samen af, heup tegen heup in de donkere kamer, kijken naar haar lichaam dat voor hun ogen op het papier opbloeit. Zo beleven ze het moment twee keer; de beelden halen de gevoelens van de dag ervoor weer naar boven en soms stoppen ze met hun bezigheden en beginnen ze weer te vrijen, jachtig, Lee met haar handen om de rand van de spoelbak geklemd, de vergeten foto's nog in de ontwikkelbak, volledig zwart geworden. Dagen achtereen houdt Man zich onbereikbaar voor cliënten. Ze draaien de studiodeur op slot. (pag. 108)

Het Amerikaanse model Lee Miller staat liever achter de camera dan ervoor. In 1929 arriveert ze in Parijs om haar droom na te jagen: een leven leiden als kunstenares. Ze haalt de beroemde fotograaf Man Ray over om haar in dienst te nemen als assistente. Al snel raken hun levens, zowel op professioneel als persoonlijk vlak, met elkaar verweven. De grens tussen assistente en partner blijkt in sneltempo te vervagen. Lee wordt de muze van Man Ray en heeft in die hoedanigheid ook een belangrijk aandeel in de ontdekking van nieuwe fotografische technieken - 'solarisatie' iemand? Als de vrouw achter 'de man' bevindt ze zich echter op de achtergrond, te vaak naar haar eigen zin. Ambitieus als ze is, is dit een positie die haar niet volledig zint.

Lee Miller leidde verschillende levens. Zodra ze zich ergens verveelde, gooide ze het roer telkens drastisch om. Zo was ze aanwezig als oorlogsfotograaf in Normandië en trok ze verder naar de vernietigingskampen van de Nazi's, om uiteindelijk een bad te nemen in Hitlers badkuip. Om te voorkomen dat haar roman louter een liefdesverhaal wordt, wisselt Whitney Scharer telkens slim af tussen deze verschillende facetten van Millers leven. Het effect is een mooi inzicht in de persoonlijkheid van een gedreven, bloedmooie vrouw, die echter meer interesse toont in wat het leven haar te bieden heeft, dan wat haar aanbidders haar te bieden hebben.

Als ze nu eens een foto maakt van iemand anders die ziet wat zij ziet. Uitgehongerde gevangenen die vol afschuw toekijken terwijl er lijken in een kuil worden gegooid. Een SS-bewaker met een gebroken kaak die kijkt naar het bloed dat uit de kapotgeslagen neus van een andere bewaker spuit. Als ze nu eens verschillende hoeken probeert, overal heel dicht op gaat staan. Een leeg etensblik, het nummer op een pols, de half weggerotte voet van een man die zijn laars uittrekt. (...) Een voor een vertrekken de correspondenten. Lee blijft. Ze moet bewijs vergaren. Haar zakken zitten vol filmkokertjes, granaten om op te sturen ter publicatie.    (pag. 216)

De schrijfster van dit meeslepende, intrigerende boek ging creatief aan de slag met Lee Millers biografische gegevens, stopte er de nodige menselijke emoties in en kwam voor de dag met een erg overtuigend, fascinerend resultaat. Het Gouden Uur beperkt zich tot het geschreven woord, maar wie op zoek gaat naar het nodige beeldmateriaal (op Google of YouTube) kan daar al snel enkele uren zoet mee zijn.

****

Harris, R. (2019), De tweede slaap, Cargo/De Bezige Bij Amsterdam

Hij legde de ganzenveer weer tussen de bladzijden waar hij die had gevonden, sloeg het boek dicht en legde het op het nachtkastje. Toen legde hij pastoor Lacy's leesbril erop, precies zoals hij die had aangetroffen - alsof hij daarmee de schijn zou kunnen ophouden dat die daar al die tijd was blijven liggen - en vervolgens blies hij de kaars uit. Deze keer zakte hij echter heel wat minder gemakkelijk weg in de vergetelheid. Het was net of een hand uit het verleden zich naar hem had uitgestrekt en over zijn gezicht had gestreken. Hij wilde maar dat hij de tijd een stukje terug kon draaien, zodat hij niet gelezen zou hebben wat hij zojuist gelezen had. Maar kennis verandert alles onherroepelijk, en hij wist dat dat niet zou gaan.            (pag. 78)

Het jaar is 1468. Een jonge pater, Christopher Fairfax, reist te paard naar een afgelegen dorpje in Exmoor, Engeland, om er de begrafenis van de verongelukte dorpspastoor te begeleiden. In de heuvels en bossen rondom het dorpje liggen oude munten, glasscherven en oude botten voor het oprapen. De verongelukte pastoor bleek in zijn huis een hele verzameling van deze artefacten te verbergen. Het lijkt er zelfs op dat zijn dood te maken heeft met zijn obsessie voor het verleden.

Ik ben een fan van Robert Harris. Hoe heb ik jarenlang genoten van 's mans driedelige meesterwerk, zijn 'Cicero-trilogie' (Imperium, Lustrum en Dictator, gepubliceerd tussen 2006 en 2015). Ook Harris' andere boeken, hoewel toch wat minder onmisbaar, maar altijd spannend en goed geschreven, kon ik eigenlijk best pruimen. Maar met zijn nieuwste boek, De tweede slaap, ben ik op mijn honger blijven zitten. Zeker, ook dit boek is enorm goed geschreven en leest erg vlot. Het probleem schuilt 'm echter in twee zaken.

Ten eerste voegde Harris al op de eerste bladzijden een inhoudstafel toe die meteen de halve plot blootlegt. Met hoofdstukken die een beknopte samenvatting als titel dragen, wordt de lezer te weinig nieuwsgierigheid gegund: 'Hoofdstuk 5. Waarin Fairfax' plannen worden gedwarsboomd' of 'Hoofdstuk 8. Waarin de registers hun geheimen prijsgeven'... Het mag niet verbazen dat voor sommige lezers na het bestuderen van deze inhoudstafel de lol er alvast wat van af is.

Rampzaliger is nog het feit dat Harris al vroeg in zijn verhaal - op bladzijde 35 en later nog eens vanaf bladzijde 70 - een plotwending voorziet waarmee hij de lezer compleet op het verkeerde been zet, maar die hij daarna niet meer weet te evenaren. Het cadeau is open en de verrassing is eruit. Wat nog volgt is een flauwe afwikkeling die kant noch wal raakt. Dat is bijzonder jammer, want alle elementen voor een magistraal epos lagen op tafel. Maar Harris maakte ergens onderweg enkele verkeerde keuzes, waardoor de ontknoping een vrij banaal gebeuren werd en deze veelbelovende historische roman een typische thriller.

**

Buck, V. (2019), Het boek van de vergeten artiesten, Karakter Uitgevers bv, Uithoorn

Duitsland, 1902. Mathis is de dertiende zoon in een boerengezin. Zijn verdere leven lijkt voorbestemd tussen akkers en velden. Maar als op een dag een jaarmarkt zijn dorp aandoet, ziet hij dat de wereld groter is dan de omgeving waarin hij opgroeide. Hij maakt kennis met een wereld van elektrische wonderen, curiositeiten en schitterende shows. Hij raakt gefascineerd door een röntgenapparaat en besluit met de eigenaar als diens assistent mee verder te trekken.

1904. De gebroeders Wright maakten de eerste rondvlucht door de lucht. De eerste verfilming van Alice in Wonderland flakkerde op het linnen doek in de bioscopen. In Parijs gebruikten paardenkoetsen intussen een taxameter. In Frankfurt ontwikkelde men een duivencamera voor luchtopnames. In Graz lukte het voor de eerste keer draadloos muziek over te dragen en in Amerika werd het theezakje uitgevonden. Het was een grandioos jaar! Dan kon je makkelijk over het hoofd zien dat Edisons röntgenassistent aan de gevolgen van het doorlichtingswerk was overleden en dat een tandarts uit Boston een boekje publiceerde dat de titel 'Het gevaar van röntgenstralen' had. Het boek was zo impopulair dat de uitgeverij het meteen weer vernietigde. Zo kreeg ook Mathis van dit alles niets mee. (pag. 380)

Dertig jaar later leeft Mathis samen met zijn vrouw Meta in een aftandse woonwagen, aan de rand van Berlijn. Duistere tijden zijn aangebroken. Het Naziregime verbiedt artiesten om nog op te treden. Voormalige showruimtes worden dichtgetimmerd. Mathis begint te schrijven, maar zijn boek mag zeker niet in verkeerde handen vallen.

'Een boek over vergeten artiesten?' bromde Carow toen Mathis zijn plan ontvouwde. Carow vond het raar om zonder opdrachtgever een boek te schrijven, gewoon zomaar, in het wilde weg. En toen hij ook nog hoorde dat er artiesten zoals de Aztekenkinderen of de vleugelmens Agosta in moesten voorkomen, was hij helemaal verbijsterd. Of Mathis niet had gehoord van de boekverbrandingen, wilde hij weten, op de Opernplatz in Berlijn. En of hij eigenlijk wel de regels had gelezen over wat je tegenwoordig nog mocht schrijven. Dat was namelijk niet veel meer. 'Maar dat is nou net het punt,' zei Mathis. 'Er zijn mensen verdwenen uit onze kolonie. En het is kennelijk niet genoeg ze alleen te deporteren. Ze dienen compleet uit het geheugen te verdwijnen. Gewist te worden, door ons te verbieden over hen te schrijven! Of zelfs maar te praten!' (pag. 48)

Het boek van de vergeten artiesten telt maar liefst 655 wonderlijke bladzijden, stuk voor stuk mooi geschreven. Het is de tweede roman van de piepjonge Duitse schrijfster Vera Buck. Haar eerste boek, Runa, vertelt het verhaal van een verward meisje dat eind negentiende eeuw de gruwelijke experimenten in een psychiatrische kliniek tracht te overleven. Voor Het boek van de vergeten artiesten deed zij uitvoerig onderzoek naar de - in de mist van de tijd verdwenen - verhalen van rondreizende circusartiesten. Maar de nazi's zijn destijds grondig te werk gegaan, zo deelt Buck ons in haar nawoord mee, gevolgd door een lijst met alle in de roman voorkomende historische figuren, waaronder ook bekende namen als Charles Chaplin, Coco Chanel en Agatha Christie.

Dat de schrijfster in elk hoofdstuk heen en weer springt van het ene jaartal naar het andere - want de periodes voor het uitbreken van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog gebruikt zij door elkaar heen - zou mij in elk ander boek gestoord hebben. Er is niets vervelender dan het botsen op een cliffhanger van formaat, om daarna een hoofdstuk lang te moeten uitkijken naar het vervolg. De verleiding om meteen voorwaarts te bladeren is vaak te groot. Maar Vera Buck komt hier mee weg. Beide verhaallijnen weegt zij mooi tegen elkaar af. Het resultaat is intrigerend en vooral ook een noodzakelijke aanvulling op de gemanipuleerde geschiedenis van het duistere Duitsland van weleer. Het boek van de vergeten artiesten is het soort boek waarvan ik hoop dat ik het snel weer vergeten ben. Dan kan ik het eindelijk nog een keer herlezen.

*****

Boyne, J. (2019), Een ladder naar de hemel, Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

Boyne, J. (2019), Een ladder naar de hemel,

De serveerster bracht een tweede glas en schonk wat wijn voor hem in terwijl hij zijn hand in zijn tas stak en er een envelop uit haalde die op de hare leek. Ze spraken een poosje met elkaar en op zeker moment lachte hij en sloeg een arm om haar schouders, waarna ze de enveloppen oppakten en beiden een uitgebreid document tevoorschijn haalden. Ze sloegen de laatste pagina's op en lieten hun pennen even boven het papier zweven voordat ze tegelijk tekenden, de documenten uitwisselden en toen opnieuw tekenden. Ten slotte borg de man beide formulieren in zijn tas en deden beiden hun trouwring af, lieten ze in hun glas vallen, waarna ze opstonden, elkaar op de lippen kusten en in tegengestelde richtingen wegliepen. (pag. 54)

Overal zijn verhalen te vinden, als je maar goed genoeg zoekt. Het hoeven niet eens je eigen verhalen te zijn. Tenminste, dat is wat de beginnende schrijver Maurice Swift al vroeg in zijn carrière besluit. Want ambitie heeft hij meer dan genoeg, schrijftalent ook wel, maar door een jammerlijk gebrek aan inspiratie kent zijn schrijversdroom vooralsnog geen vliegende start. Een toevallige ontmoeting met bestsellerauteur Erich Ackermann in een Berlijns hotel biedt hem de gelegenheid zichzelf in de wereld van de literatuur te lanceren. Erich is namelijk eenzaam, heeft een verhaal te vertellen en vindt in Maurice een gretig luisterend oor. De charme en attenties van Maurice maken Erich blind voor de waarheid: hij had zijn verhaal beter voor zichzelf kunnen houden.

Een ladder naar de hemel bestaat uit vijf delen. Of beter, drie delen en twee intermezzo's, al is die grens vaag. Aanvankelijk weet je als lezer niet beter of het boek gaat over Erich, de oudere schrijver die in het eerste deel volop aan het woord is. Vanaf deel twee blijkt echter diens assistent Maurice de centrale figuur. Verschillende getuigen zullen op hun beurt hun wedervaren met hem nog uit de doeken doen.

Je derde boek werd verworpen omdat het echt niet goed genoeg was, en de drie die volgden werden afgewezen omdat je toen gewoon ideeën tegen de muur gooide en hoopte dat er eentje zou blijven plakken. In die tijd zei je dat je voor altijd klaar was met schrijven. Dat je maar één goed idee had gehad en zelfs dat was niet van jou geweest, het was het verhaal van iemand anders, dat je alleen maar op papier had gezet. (...) Als ik de boeken die volgden las, zag ik wel waarom ze mislukt of afgewezen waren, want ze hadden volstrekt niets oorspronkelijks. (pag. 154)

Nu heb ik de afgelopen jaren toch best wel wat boeken verslonden, mijn lof uitgezongen over heel wat auteurs - van Jan Van Aken over Walter van den Broeck tot Marcus Zusak - maar dit is toch weer een klasse apart. Tjonge, wat een goed gebalanceerd, meesterlijk geschreven en weldoordacht boek, zeg! Mogelijk het beste waarover ik op deze blog al kon berichten. Zoals steeds zorgt Boyne er ook nu weer voor dat zijn lezers aan een razend tempo kunnen doorgaan. Enkel na deel twee - waarin Maurice' vrouw haar verhaal doet - moest ik dit boek even opzij leggen en enkele keren diep ademhalen, alvorens er weer volop tegenaan te gaan. Een ladder naar de hemel, toch zo'n 400 bladzijden dik, is dus op een zuchtje uit en dat is verdorie jammer!

*****

Gescinska, A. (2016), Een soort van liefde, uitgeverij De Bezige Bij, Antwerpen.

Soms moet je als lezer eerlijk zijn en jezelf verontschuldigen tegenover een boek, zoals in: 'Sorry dat ik zolang op mij liet wachten, boek.' Ook al denk je er dan ook meteen bij: 'Maar het was de schuld van de vormgever. Van ene Bart van den Tooren, zo lees ik hier. Hij had jouw zijflap niet moeten voorzien van die ellendige roze kleur.' Van een facebookvriendin, die ik overigens nog nooit had ontmoet, had ik blindelings een doos boeken gekocht voor twintig euro, zelf op te halen. De boeken moesten weg omdat zij en haar man op het punt stonden te verhuizen. Thuis keek ik na of de inhoud van de doos mijn investering waard was geweest. Dat viel best mee. Ik haalde er een tiental veelbelovende boeken uit die een plekje kregen in de boekenkast, met het oog op toekomstig leesplezier. Maar aan 'Een soort van liefde' kwam ik niet toe. Ik had het boek weliswaar uit de doos bevrijd, waarmee het alvast een voorsprong had op een aantal andere boeken, maar eens het op de leesplank was beland, sprak de vrij banale titel tegen de lippenstiftroze achtergrond mij niet meer aan. Een verkeerde inschatting, zo zou blijken, want maanden later verraste ik mezelf dan toch nog door de roman zomaar eens van de plank te nemen. Mijn vrees dat ik op het punt stond een blik te werpen op triviale, romantische literatuur voor verveelde huisvrouwen - chicklit noemt men dat soort boeken tegenwoordig - bleek volledig ongegrond. Gescinskas debuutroman is een 'Stoner-goes-sexy', of een 'Dead Poets Society-goes-wild'. Dat zijn twee mooie complimenten in één zin, dunkt mij.

De discussies waren nooit chaotisch, al werd er stevig door elkaar gepraat, maar als professor Vernon het woord nam, hing iedereen aan zijn lippen en stemden sommigen iets te gretig in. Eric nam zijn pen en maakte notities zoals hij tijdens een hoorcollege zou doen: knikkend, met het puntje van zijn tong uit zijn mond terwijl hij schreef. De bijeenkomsten duurden meestal hooguit twee tot drie uur. Professor Vernon wilde vermijden dat de conversatie in rumoer zou ontaarden door het teveel aan leeggedronken wijnglazen. Zodra hij in de ogen van de Exiles een dofheid opmerkte als eerste teken van prille dronkenschap, raadde hij hen aan om naar huis te gaan en in bed te kruipen, een raad waarvan hij wist dat die vergeefs was. (pag. 123)

Elisabeth had een moeizame relatie met haar vader. Na zijn dood staat ze voor de taak staat zijn huis leeg te maken en zijn spullen te verkopen. Zij treft nog wat post aan die hem niet meer tijdig heeft bereikt. Het openen van één van de enveloppen zal er toe leiden dat ze hem postuum op een heel andere manier zal leren kennen.

Ze slaagt er niet in om haar ogen van zijn handen te houden. Haar gezicht vertoont een beginnende uitdrukking van walging. Ze beseft het en probeert iets vriendelijker naar de antiquair te kijken, maar krijgt haar negatieve gevoelens niet onder controle. Gelukkig schenkt hij toch geen aandacht aan haar. Kleine zwarte en grijze haartjes krullen zijn neusgaten uit. Hij is vast weduwnaar, denkt ze. Als hij al ooit een vrouw heeft gehad. Tussen de haartjes die uit zijn oren groeien, en die Elisabeth doen denken aan de fijne takken van kale treurwilgen, ziet ze schilfers. Overal schilfers, vooral op zijn schouders, die op zijn donkere hemd erg zichtbaar zijn. Ze denkt onwillekeurig terug aan haar vader, die nooit onverzorgd het huis verliet, en zelfs binnenhuis meestal een das droeg, zeker als hij aan zijn schrijftafel zat. (pag. 42)

De ontdekking die Elisabeth doet, is zonder meer verrassend en hartverscheurend tegelijk, maar illustreert bovenal hoe kleine, ogenschijnlijk banale keuzes een heel mensenleven kunnen bepalen.

****

van den Broeck, W. (2013), Het alfabet van de stilte, uitgeverij De Bezige Bij, Antwerpen

'Ik heb ons vader en ons moeder nooit zien knuffelen, laat staan kussen. Soms vraag ik mij af hoe wij gemaakt zijn, ons Evelien en ik. 'Met de afstandsbediening', lachte ons Evelien overlaatst nog. Ik denk op een of andere kermis, buiten tegen de danstent, allebei met een goed stuk in hun voeten.'       (pag. 15)

Wat... Wééral een recensie over Walter van den Broeck? Tja, met excuses, maar het was sterker dan mezelf. Het was dan ook alweer zeer de moeite. Dit makkelijk te lezen boek kort samengevat: Kristien maakt een scriptie over kindermisbruik binnen de kerk. Ze heeft interesse in de schade die haar grootoom, een bisschop, heeft aangericht en neemt daarom interviews af van mensen die het kunnen weten, zoals haar eigen familieleden. Van haar vriend Klaas of haar promotor hoeft ze alvast weinig hulp te verwachten.

Verwacht geen zwaarwichtige roman, want daar doet van den Broeck zelden aan mee. De toon is luchtig, want de personages die het woord nemen zijn stuk voor stuk volkse figuren - Kristiens promotor is de zeldzame uitzondering - en vertellen de zaken graag zoals het in hen opkomt.

'En toen hij zijn eerste communie ging doen, vroeg ons moeder: 'En wat voor cadeau zoudt gij graag hebben, Firminke?' 'Een altaar!' zei hij. 'Een met een tabernakel.' Hé, Sooi? Een met een tabernakel. Iedereen schoot in de lach, behalve nonkel Marcel, die schrijnwerker was. Die mens is ook al lang dood. Die begon te blèten en zei: 'Als dat manneke een altaar wil, dan krijgt hij een altaar.' En die heeft me daar een altaar gemaakt voor ons Firminke... man, man, man. In Mechelse stijl, zo met snijwerk en al. En een tabernakel met een dubbel deurtje en vanbinnen zo'n draaischijf voor zijn beker. Op den duur durfden wij zelfs onze velo niet meer in 't stalletje zetten. Hé, Sooi?' (pag. 203)

Walter van den Broeck heeft bij het schrijven van deze roman geput uit het rapport van de Commissie Adriaenssens, waarin interviews staan met mensen die door Belgische geestelijken seksueel zijn misbruikt. Maar let op, want bisschop Van Groeneweghen zomaar vergelijken met Roger Vangheluwe, die bekende dat hij een neefje jarenlang had misbruikt, zou op zich ook weer wat te eenvoudig zijn. Zelf somde de schrijver achteraan in zijn boek een hele waslijst op aan literatuur waarop hij zich baseerde, maar ook 'Het Leven Zelf en de weerslag ervan in de media.' Na de nodige titels ter inspiratie besluit hij vervolgens met 'enzovoorts, enzovoorts', alsof hij zelf ook niet meer weet waar hij de mosterd precies haalde. Het resultaat is een coherent geheel, zoals al eerder gezegd luchtig van toon en het verveelt geen moment. Meer zelfs: het leest als een trein. Het beste boek dat ik van deze schrijver al las? Het zou zomaar eens kunnen.

****

Verhulst, D. (2019), De Pruimenpluk, Uitgeverij Pluim

Het was lang geleden dat ik nog eens met een vrouw in levenden lijve had gesproken, de kassiersters die mijn flessen wijn en mijn diepvriesmaaltijden in papieren zakken stopten openden zelfs hun mond niet om het te betalen bedrag te zeggen, dat kon ik immers aflezen van een schermpje, en toen de makelaarster met uitgestoken hand op me afkwam, taterend en kwekkend wat een avontuur het was geweest om zelfs mét gps mijn huis te vinden, keek ik alweer uit naar het moment dat ze met snavel en al in haar auto zou stappen en terugkeren zou naar haar wereld van hoge hakken en kapsalons met espressoapparaten. Ze had mooie lippen, maar wat eruit kwam beviel mij niets. 'U wóónt hier?' (pag. 13)

Moe van de mens woont Mattis afgelegen aan een meer, waar hij zijn potentie naar beneden drinkt. Een donker denker met een tanend geloof in zowat alles, dus zeker ook in de liefde. Soms echter twijfelt hij aan zijn kwaliteiten als eenzaat en misantroop, en overweegt hij een leven in een stad vol heerlijke drukte om niets. Maar dan begeeft zijn waterpomp het en wordt hij gedwongen zich te wassen aan de rand van het meer.

En toen zag ik haar. Ze zat me vanuit haar kano aan te kijken en god weet hoelang ze daar al mee bezig was. Ik had haar horen noch zien komen aandrijven, de enige rimpels op het water had ik zelf veroorzaakt door kopje-onder te gaan om de shampoo uit mijn haar te spoelen, waardoor ik een kring van schuimvlokken rond me had getrokken, hetgeen vast slecht zou zijn voor de vissen en me een preek kon kosten van iemand die vond dat de wereld moest blijven bestaan. Toen ik haar opmerkte stond ik tot aan mijn navel in het meer, geen idee of ze me in de ogenblikken daarvoor in mijn volle glorie, nou ja... glorie... had kunnen aanschouwen, maar ik prees me gelukkig dat het schuim mijn schaamstreek aan haar zicht onttrok. (pag. 32)

De setting is fantastisch, de uitwerking van Mattis' karakter als ik-verteller gebeurt grondig en de plot maakt nieuwsgierig. Kunnen we Mattis eigenlijk wel vertrouwen als lezer? Gaat hij ons meesleuren in duistere zaken? En wat voor geheimen schuilen er in Elma, de mysterieuze weduwe die hij ontmoet? Het dunne boekje dat Verhulst ook dit keer uit zijn mouw schudde - geen van al zijn vorige romans kan een 'dikke turf' worden genoemd - leest als een trein. Er is slechts één probleem met dit taalkundig prachtig geschreven pareltje: het leidt niet echt ergens toe. Verhulst schiet vol goede moed uit de startblokken, gebruikt handenvol humor om een heel eind te komen. Maar halverwege begint de plot wat te zwalpen, lijkt het verhaal ietwat stuurloos te worden, wordt de sfeer somberder. De laatste drie hoofdstukjes ben je als lezer eigenlijk alweer vergeten terwijl je nog bezig bent ze te lezen. Uiteindelijk besef je dat er met Mattis en Elma niet echt nog iets staat te gebeuren. Dat is zonde. Na de zorgvuldige opbouw laat de auteur het achterwege om de bal effectief ook binnen te trappen. Tijdverspilling voor de lezer? Toch niet helemaal, want van het fantastische taalgebruik waarvoor Verhulst altijd garant staat, valt ook in De Pruimenpluk volop te genieten. Vele passages zijn onvergetelijk, dus ondanks de magere plot is dit dunne boekje toch nog best een aanrader.

***

Rous, E. (2019), De tweeling van Summerbourne, Uitgeverij Luitingh-Sijthoff Amsterdam

Ze poseerde met maar één kindje voor de foto. Ze beviel hier op Summerbourne zonder vroedvrouw, maar zou dat niet gevaarlijk zijn geweest, aangezien ze in verwachting was van een tweeling? Ik kijk naar mezelf in de spiegel. Zou ik het medisch dossier van mijn moeder te pakken kunnen krijgen, de gegevens van haar zwangerschap, na al die jaren? (pag. 79)

De oorspronkelijke Engelse titel van Emma Rous' debuutroman is 'The Au Pair'. Dat is op zich al een enorme hint. Wie zou immers de eigenlijke moeder kunnen zijn van Danny en Seraphine, de tweeling van het landgoed Summerbourne? Ik wil niks verklappen, maar gelukkig was de uitgever zo verstandig om voor de Nederlandse uitgave de titel van deze roman aan te passen. Want het grootste probleem met dit boek is het feit dat protagoniste Seraphine vierhonderd bladzijden lang op zoek gaat naar haar ware identiteit, terwijl elke weldenkende lezer vanaf hoofdstuk zes al min of meer kan raden hoe de vork in de steel zit.

Vanaf het moment dat Alex uit zijn knalgele sportwagen op de oprit van Summerbourne sprong, bespeurde ik een zekere spanning tussen Ruth en hem. Het vonkte tussen die twee, wat alle sociale beleefdheden een lading meegaf en doortrilde in de verkeerde timing van hun reacties op elkaar. 'Ik heb de sleutels!' Alex zwaaide met de sleutels in zijn ene hand en hief een fles champagne in de andere. (...) Hij pakte een boeket gele en oranje bloemen van de passagiersstoel, en Ruth keek er glimlachend naar. 'Fresia's,' zei ze. 'Wat mooi.' (pag. 80)

Een bemiddeld koppel dat naar hartenlust vreemdgaat, een naïeve au pair, een grootmoeder die de familieschandalen probeert toe te dekken, een oude tuinman die het hele gebeuren vanop een afstand gadeslaat... Dit zou evengoed 'Dallas, the next generation' kunnen zijn. Alle verwaande personages in Rous' boek hebben immers niks anders om handen dan uit te vissen hoe zij precies in hun eigen stamboom passen. Zij kunnen wat mij betreft dezelfde boom in als alle andere J.R.'s, Sue Ellens en Pamela Ewings van deze wereld. Vlot geschreven met een slim bedachte plot die de nieuwsgierigheid wel enigszins kan vasthouden, maar toch eerder voer voor een typische film op Vitaya.

*

van den Broeck, W. (2001/2018), Een lichtgevoelige jongen, uitgeverij Polis/Pelckmans


Na drie boeken maak ik er graag een semiofficieel statement van: Walter van den Broeck is een van mijn lievelingsauteurs (zie ook de recensies hieronder, betreffende Brief aan Boudewijn en De Veilingmeester). Over Brief aan Boudewijn schreef ik hier eerder nog het volgende: "Tal van amusante karakterbeschrijvingen passeren de revue, maar verder dient de lezer hier niet noodzakelijk mee aan de slag te gaan. Tot een rechtlijnig verhaal waarin al deze figuranten nog een rol van belang gaan spelen, komt het immers niet." Maar kijk eens aan. In Een lichtgevoelige jongen vertrekt de auteur opnieuw vanuit dezelfde tijd (1953) en plaats (de gemeente Olen) om dit keer wel degelijk een mooi uitgewerkt verhaal op te bouwen. Al meteen bij aanvang schetst de auteur de belangrijkste personages - figuren die hij verbindt aan zijn eigen schoolkameraadjes van weleer - op ronduit hilarische wijze.

Ik stalde mijn rammelkar onder het afdak bij de andere rammelkarren, deed de speelkaarten van de voorvork en ging me neervlijen aan de voet van de zwetende roversberg. Het rook er naar bedorven vlees en stopverf. Om de beurt schoof iemand anders op de rioolrooster om wat koelte op te vangen van het water eronder. Lowie Deschutter zat tot over zijn oren in 'Tarawa, de bloedige atol'. Ernest Verheyden - ook Wettewa genoemd, omdat hij haast elke zin met Wettewa begon - had net 'Het Rattenkasteel' uit. Tetten Schellekens lag met een brandglas gaten in iets te branden, een stuk mica of bakeliet. Dat stonk geweldig, en zowel Wettewa die toekeek als Tetten zelf moesten ervan hoesten. Tetten heette eigenlijk Cyriel maar werd Tetten genoemd naar zijn moeder, die de dikste tieten van de wereld had. Haar graatmagere zus Germaine werd dan weer de Lat genoemd, of Lat Schellekens. Hun mannen: Jos van de Lat en Sooi van Tetten. Hun kinderen: lange Lat, korte Lat, Fien van Tetten en kleine Tetten. Kleine Tetten zat in onze klas en wij noemden hem domweg Tetten. (pag. 15)

Stijn - voluit eigenlijk Valentijn - is verliefd op Martha. Zijn woont 'overdevaart' en is de zus van zijn kameraad Stierke. Op een dag besluit hij eens een kijkje te gaan nemen in 'Klein Korea', het gehucht overdevaart. Hij spreekt af met zijn maat Fluitjesmelk om samen de brug over te steken.

Elke meter die wij vorderden werkten we ons steviger in de greep van Overdevaart. Van wat we op school hadden geleerd was hier niets van tel. Het werd me opeens duidelijk: de boerenkloten overleefden hier ondanks de school. (...) We moesten hier maar niet te sterk in de kijker lopen, en hoewel we met eerzame bedoelingen kwamen, toch maar niet Stanley en Livingstone willen uithangen. (pag. 64)

Overdevaart is die dag de plaats waar een militaire oefening plaatsvindt, 'Operatie Njoeborn', die begint als een jolige Vlaamse kermis, maar uitmondt in een conflict tussen militairen en boerenzoons. Stijn heeft met zijn fototoestel alles vastgelegd, maar begrijpt dat zijn foto's nooit ontwikkelt mogen worden. Wat heb ik genoten van de heerlijke vertelstijl van Walter van den Broeck en de humor waarmee hij zijn personages tot leven brengt, maar ook verrast opgekeken bij de verrassende wendingen die hij het verhaal laat nemen. Een lichtgevoelige jongen begint in de eerste plaats immers komisch, maar wordt gaandeweg eerder tragikomisch. De schrijver breidt een scherp kantje aan de gebeurtenissen waarmee hij zijn boek minder geschikt maakt voor jongere en gevoelige lezers, maar meteen ook het louter anekdotische ontstijgt. Een ondergewaardeerde aanrader!

****

Claes, B. (2015), Vijftig, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen

Volkomen onaangekondigd gaat nu het licht uit, maar toch blijkt het geen storing in de stroomvoorziening te zijn, want terzelfder tijd beginnen de speakers bikkelharde klanken te spuwen - andermaal. Ergens wordt een deur geopend en uit het duister doemt een hoop brandende sterretjes op in de vorm van een kerstboom, al is het daar de tijd niet voor. Het geluidsdecor is deze keer 'Also sprach Zarathustra'. Hoofdmelodie van de film 2001: a space odyssey, die dateert uit de tijd dat 2001 nog niet 'volgend jaar' was. Triomfantelijke, kosmische muziek, waarin echo's van de oerexplosie lijken door te klinken en die schril afsteekt bij het schamele beetje vuurwerk dat de zaal in komt zeilen. Nog voor de sterretjes zijn uitgeknisperd, floept het licht alweer aan en dan blijken er twee kelners in het spel te zijn, die een baar torsen waarop de obligate 'pièce montée' van ijs met zes verdiepingen en op de top een plastic bruidspaar. Terwijl Zarathustra onverbiddelijk doorgaat, zet het tweespan zich tot een rondgang langs de tafels aan de rand van wat straks de dansvloer wordt. Beiden kijken of ze in all twee de wereldoorlogen aan het front gevochten hebben en spoedig een derde verwachten.        (pag. 147)

Een typisch Vlaams huwelijksfeest, een verjaardagsfuif, een begrafenis met alles erop en eraan, hardhorige oudjes die de namen van hun kinderen en kleinkinderen door elkaar blijven halen... Claes loodst ons nauwgezet doorheen situaties die zo typisch en herkenbaar op ons afkomen. Vijftigers herkennen vast ook Jan en Jo Cleymans - Matterne, het uitgebluste koppel dat worstelt met erectieproblemen, dwaze aankopen ('Ze denkt: een Cadillac, mijn God, waaraan heb ik dit verdiend'), uit de hand gelopen hobby's (Cleymans 'mammaemonomanie') en de stiekeme hunker naar een prille verliefdheid waartoe ze niet langer in staat zijn. Enfin, hij toch alleszins niet.

Hij stoot bij toeval op het pakje brieven en telegrammen (...) die al jaren op de vloer van zijn werkkamer opgestapeld liggen. (...) Bij het lukraak teruglezen van een paar fragmenten uit hun liefdespost krijgt hij een bitterzoete smaak in de mond. Zijn naïviteit en overspanning van toen vervullen hem met gêne. Hij herinnert zich nog vaag hoe hij in die dagen bereid was elk woord dat zij hem schreef te geloven, en zelfs elk woord dat hij haar schreef. Maar als hij nu over haar tanden leest die zogezegd iets van fris gewassen schapen weg zouden hebben, en over die hals van elpenbeen, en dat haar borsten het midden houden tussen gazellenwelpen en druiventrossen, kan hij een sarcastisch gegrinnik niet onderdrukken. (pag. 192)

De schrijver introduceert ook een derde hoofdrolspeler. Vincent Velings is een BV op leeftijd. Als interviewer in talkshows van TV+ heeft hij zichzelf een status verworven waarmee hij elke interessante vrouw in bed kan praten. Velings is single en hoeft met niemand rekening te houden. Tussen alle seksuele uitspattingen en zijn tv-werk door, ontmoet Velings het koppel Cleymans wel eens occasioneel op een huwelijksfeest, maar verder dan dat reikt de band tussen de drie protagonisten niet. De lezer leert de hoofdrolspelers door en door kennen, met al hun zielige onhebbelijkheden, hun grote maar vooral ook kleine kantjes, hun verlangens en stiekeme fantasietjes. Uiteindelijk is het de lezer de het snelst lijkt door te hebben dat de drie personages zich steeds dichter naar de rand van een gevaarlijke afgrond begeven. 

Omdat Funda Turkse was koesterde Velings het gevoel dat hij, met haar als neukmaatje, heel erg multicultureel en dus ethisch bezig was. Het viel hem dan ook rauw op zijn dak toen ze, na gedane zaken, eens wat langer en vertrouwelijker aan de praat raakten en zij zowaar begon af te geven op Marokkanen en negers, door respectievelijk als vuil en lui bestempeld. (...) Jezus christus, Velings kon zijn oren niet geloven! Terstond met haar kappen was de enige eervolle reactie geweest, maar omdat het vlees zwak is en het geweten rekkelijk, heeft Velings nog een laatste afspraakje met haar geregeld, om haar tot andere gedachten te brengen.      (pag. 72)

Bavo Claes is niet het soort auteur die graag een 'open einde' aan zijn boeken breidt en het laatste hoofdstuk achterwege laat zodat 'de verbeelding van de lezer de afloop zelf kan invullen'. Neen, liever gaat de schrijver all the way. Net zoals hij zijn verhaal haarfijn, tot in de kleinste details, naar een climax heeft weten toe te werken, zo volledig serveert hij ook nog dat ene dessertje teveel na een rijkelijke maaltijd. Het lezen van Vijftig vraagt enige inspanning. Het is immers een lijvig boek (453 overvolle bladzijden) en tijdens de reis wordt er geen enkele rustpauze ingelast. Gelukkig is elk zijspoor boeiend genoeg om de argeloze passagier bij de les te houden, terwijl de schrijver in zijn pastelroze Cadillac doorheen de verschillende passages scheurt. Het blijkt een dolle rit met een fatale afloop in slow-motion.

****

Kelley, W. M. (1962/2018), Uit de maat, uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen

Toen ik zelf nog jong was, ergens aan het eind van de jaren tachtig, mocht het woord neger nog probleemloos worden gebruikt. Het bevond zich in dezelfde categorie als woorden zoals Eskimo, indiaan en Aboriginal. Thuis gebruikten wij het dan ook vrij van alle mogelijke connotaties. Met racisme had dat immers niks te maken. De eerste gekleurde medemens die ik ooit ontmoette, was de Congolese assistent van de nieuwe pastoor. Mij viel destijds de eer te beurt om N'gabula - in m'n beste Frans, al was dat verre van schitterend - een rondleiding te geven doorheen ons bescheiden, Vlaamse dorpje. Achter vele gordijntjes zullen die middag wel heel wat ogen over de vloer gerold zijn. Jaren later strandde dan weer een groepje Togolese en Ghanese vluchtelingen in onze gemeente. Mijn ouders waren er als de kippen bij om de arme stakkers vanuit een soort christelijke liefdadigheid van propere kleren en een verse boterham te voorzien. Voor ons waren dat dus allemaal, jawel, negers. Daar was niks mis mee, tot die dag waarop het extreemrechtse Vlaams Blok de verkiezingsuitslagen kaapte (zie: 'zwarte zondag' - 24 nov. 1991). Sinds die dag moest het allemaal plots wat 'politiek correcter'. Wie voortaan nog sprak over negers was een racist. Het woord werd vervangen door het neutralere begrip zwarten (hoewel hiermee vreemd genoeg pas écht een kleur werd benoemd).

Wie in 1962 zonder probleem woorden zoals Negro en nigger mocht neerschrijven, was William Melvin Kelley. Eerst en vooral was hij namelijk zelf een zwarte Amerikaan. Wat hij daarenboven ook wilde aantonen in zijn debuutroman A Different Drummer (vertaald als Uit de maat) kon hij enkel maar door net dié termen te gebruiken. Kelley 'wrote about white people thinking about black people'. Hij schreef over zwarten zoals ze gezien werden door de ogen van blanken, op zich al een bijzonder uitgangspunt dus. En hoewel de schrijver pas in 2017 zou overlijden, gedroegen uitgeverijen zich daarna alsof zijn debuut een onontdekt meesterwerk was waarvan niemand nog het bestaan vermoedde. Flink overdreven allicht, al is één woord hier wel degelijk op z'n plaats: een meesterwerk, want dat is A Different Drummer wel degelijk.

Als ik morgen iemand zou zijn tegengekomen en ze hadden me verteld wat ik net heb gezien, zou ik zeggen dat Tucker Caliban inderdaad krankzinnig was geworden. Maar dat kan ik niet zeggen nu ik hier toekijk terwijl het gebeurt, want ik weet één ding, als ik al iets weet. Het is geen krankzinnigheid. Ik weet niet wat hem er wél toe heeft gedreven, maar het is geen krankzinnigheid. (pag. 63)

In het diepe zuiden van Amerika, in 1957, strooit een nazaat van een legendarische slaaf op een dag zout over zijn akkers, schiet zijn paard en z'n koe dood, steekt zijn boerderij in brand en vertrekt. Van de ene dag op de andere volgt de hele zwarte gemeenschap van het stadje, en vervolgens van de hele staat, hem in z'n voetsporen. De blanke bewoners proberen verbijsterd te achterhalen wat de zwarten tot deze massale uittocht heeft bewogen. 

Wanneer Dewey zich naderhand voor de geest probeerde te halen hoe het station er die middag had uitgezien, herinnerde hij zich niet of hem grote aantallen negers op het perron en in de wachtruimtes voor kleurlingen waren opgevallen. (...) Hij herinnerde zich niet dat de negers fluisterend spraken en de blikken van de blanken vermeden en hun best deden om niet te worden herinnerd. Hij herinnerde zich dat er negers waren, er waren altijd negers op het station, de kruiers in hun grijze pak en met hun rode pet, maar het was hem niet opgevallen dat er die dag veel meer waren of dat de meesten in vertrekkende treinen stapten. (pag. 113)

Kelley vertelt het verhaal enkel door de ogen van blanken, dus wat Caliban bezielde komt de lezer slechts onrechtstreeks te weten door de verschillende getuigenissen bij elkaar op te tellen. Zo valt dit epische verhaal uit elkaar in kleinere, diepmenselijke  verhalen die stuk voor stuk een gedetailleerd beeld schetsen van de vele personages die elk hun rol spelen, sommigen van hen wat belangrijker dan anderen. De slotsom maken valt niet mee, waardoor het nuttig kan zijn om hier en daar nog eens passages te herlezen. Scènes die aanvankelijk weinig belangrijk lijken, dragen uiteindelijk meer antwoorden in zich dan de argeloze lezer zou vermoeden.

In deze wereld, die op elke bladzijde nog de sporen draagt van het beruchte 'wilde westen', zijn het de Willsons - verre verwanten van een slavenhandelaar - die nog het meeste empathie met zich meedragen ten overstaan van de zwarten, zo blijkt uit de getuigenissen van David en Camille, en hun beide kinderen, Dymphna en Dewey.

We vonden hem zoals hij was achtergelaten, zoals hij was gestorven, met zijn ogen voor altijd gesloten. Toen we de smalle, met rubber beklede treden op liepen zagen we de lichtgrijze hoed op zijn schoot en de ronde bos wit kroeshaar op de verchroomde stang die de scheiding tussen achter- en voorzijde van de bus vormde. Aan de stang hing een wit bord met vette zwarte letters, en dat zou het enige zijn geweest wat hij had kunnen zien, als zijn ogen tenminste geopend waren en hij nog had geleefd en alleen even uitrustte. (...) Zo stierf een oude man en het laatste wat hij zag was het bord voor kleurlingen in een gesegregeerde bus, maar dat was vooral ironisch. Het moest iets anders zijn, bedacht ik. (pag. 163)

Net zoals dit met het hele oeuvre van John Williams al het geval was, mogen wij ons gelukkig prijzen dat er nog uitgevers zijn die er een zaak van maken om 'vergeten pareltjes' te blijven recycleren. Dankjewel, zeggen we dan.

***** 

Baricco, A. (2011/2014), Mr Gwyn, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam

Tenslotte had Jasper Gwyn, gewoon om het allemaal wat eenvoudiger te maken, besloten het idee van een mannelijk model uit te sluiten. Dat kreeg hij niet voor elkaar. Het was geen kwestie van homofobie, maar gewoon dat hij het niet gewend was. Het was nu eenmaal niet slim om het zichzelf al te moeilijk te maken tijdens dit eerste experiment: leren kijken naar een mannenlichaam was iets wat hij voorlopig nog even uitstelde. De keuze van een vrouw had echter wel implicaties, waarvan Jasper Gwyn zich volledig bewust was. Daarbij stak de  variabele van de begeerte de kop op. Het moest een kwestie van afstandelijke intimiteiten zijn, een portret maken. Te veel schoonheid zou dus misplaatst zijn. Te weinig zou een onnodige treurnis zijn geweest. Wat Jasper Gwyn zocht was een vrouw die mooi was om naar te kijken, maar niet zo mooi dat hij haar zou gaan begeren. (pag. 64/65)

Jasper Gwyn is een succesvol auteur. Plots kondigt hij aan dat hij stopt met schrijven. Zijn uitgever kan het maar niet begrijpen. Gwyn wil voortaan enkel nog portretten maken. Als een kunstschilder laat hij mensen naakt poseren in zijn 'atelier', een ruimte die hij inricht met speciale verlichting en onbestemde achtergrondmuziek. Zo wil hij unieke portretten schrijven die enkel gelezen dienen te worden door de persoon die er telkens model voor stond. Niemand begrijpt waar hij precies mee bezig is, tot zijn eerste model - Rebecca, die daarna ook zijn secretaresse zal worden - het mysterie van de schrijver ontrafelt.

Mr Gwyn is een dun boekje dat zich echter vrij traag laat lezen. Aanvankelijk las ik het nog door met enige tegenzin, want stilaan heb ik mijn buik vol van het soort boekjes waarin de auteur teveel uitweidt over geuren en kleuren, handelingen en gebaren, onbeduidende karaktertrekjes en pietluttige details. Het is aan dergelijke zaken dat magere boekjes als De Hills, Meneer Kato speelt familie en Juliette of het geluk van boeken (zie verderop) hun lage score te danken hebben. Ook in Mr Gwyn duikt een element op waaraan ik mij gaandeweg begon te ergeren: het feit dat de auteur telkens de volledige naam van zijn hoofdpersonage weergeeft. Herlees alleen al maar het fragment hierboven. Voortdurend is het 'Jasper Gwyn dit' en 'Jasper Gwyn dat', alsof Alessandro Baricco allergisch is aan het persoonlijke voornaamwoord 'hij'. Maar goed, laat mij dat dan maar beschouwen als een 'technisch mankement', waaraan evengoed de Nederlandse vertaalster enige schuld aan heeft. Verder kabbelt het verhaal rustig voort en wil het de lezer wel eens in slaap wiegen, tot de protagonist op pagina 144 geconfronteerd wordt met een negentienjarig model dat hij zal observeren.

Ze droeg haar naaktheid alsof het een uitdaging was - haar zo jonge lichaam een wapen. Ze praatte vaak, en ofschoon Jasper Gwyn geen aanstalten maakte om te antwoorden en meerdere keren de moeite had genomen om haar uit te leggen dat een bepaalde stilte onontbeerlijk was voor het welslagen van het portret, begon ze elke dag weer te praten. Ze vertelde niets, ze probeerde niet iets uit te leggen: ze liep maar te tieren, vanuit een eeuwige haat tegen alles en iedereen. Daarbij zag ze er prachtig uit, in niets een kind, en ontzettend dierlijk. Ze ging dagenlang tekeer, op woest elegante wijze, tegen haar ouders. (...) Op de twaalfde dag kwam het meisje eindelijk waar ze wezen wilde, namelijk bij hem. Ze begon hem aan te vallen, verbaal, met uithalen die ze afwisselde met periodes van stilte waarin ze hem alleen maar aanstaarde, met een ondraaglijke intensiteit. (pag. 144/145)

Mr Gwyn is een dun boekje van 190 bladzijden. Desondanks had er best nog in geschrapt mogen worden. Gelukkig zorgde de auteur voor een verrassende ontknoping die in allerijl nog veel weet goed te maken.

***

Op de Beeck, G. (2017), Het beste wat we hebben, uitgeverij Prometheus

Hij boog zich over de brede reling en staarde de diepte in. Het duizelde hem, hij klemde zich vast aan het ruwe beton, maar hij bleef kijken. Een straat, water en een spoorweg, stilstaande auto's, bomen in alle kleuren groen, daken van huizen, slordig naast elkaar geplakt, gevels met ramen en deuren, allemaal dicht, een weg die een verte tegemoet draaide, een wandelaar met een hond, alles in miniatuur, alsof het niet echt was, niet meedeed met het leven hierboven. De immense diepte zoog en verpletterde. Hij kwam behoedzaam overeind, zette een stap achteruit en staarde naar de wolken, almaar rusteloos in beweging, alsof ze probeerden de lucht te ontvluchten. (pag. 9)

'Beter bestaat. Bijna altijd. Gun het uzelf.' Griet Op de Beeck noteerde deze zinnetjes in sierlijke, bescheiden letters op de eerste bladzijde van haar nieuwste boek (zie 'Op stap). Ondanks alles - deze fraaie quote, de lieflijkheid van de schrijfster, de fraaie coverfoto en de nodige controverse in de media... - moest mijn exemplaar van Het beste wat we hebben toch nog ruim anderhalf jaar wachten om gelezen te worden. Eigenlijk komt dat omdat het eerste hoofdstuk mij niet bij mijn nekvel greep. Twee keer probeerde ik het, maar het werd nooit iets tussen mij en deze roman. Telkens kwamen er andere boeken tussen die hardnekkiger om aandacht riepen en mij wél direct bij de les hielden. Maar goed: derde keer, goede keer. Koppig bleef ik doorlezen, over Lucas, een magistraat die op een dag besluit dat zijn leven anders moet. Enfin, 'besluiten' is een groot woord, want in dit boek wordt nooit eens iets echt op doordachte wijze besloten. Dit psychologische portret van een man op de dool kabbelt vaak maar wat voort zonder enige richting. Griet Op de Beeck heeft vooral veel aandacht voor details, een beetje teveel naar mijn zin. Een eenvoudig gesprek tussen twee mensen duurt telkens nét iets te lang omdat elk opvallend prulletje de schrijfster al een zin op zich waard lijkt.

Hij koos het verste toilet, ging op de bril zitten. Die was nog een beetje warm van de vorige, daar probeerde hij abstractie van te maken. Een droef straaltje liep in de pot. Eigenlijk hoefde hij helemaal net te plassen. Hij legde zijn hoofd in zijn handen. Hij moest aan Riley denken, zijn schouders hadden zo troosteloos laag gehangen toen hij naar binnen liep, aan Ambers blik toen ze zei dat niemand ooit echt voor haar had gekozen, aan de uitdrukking op zijn vaders gezicht terwijl Lucas de hand van de buurman schudde, aan het knokige lijf van zijn moeder onwelwillend tegen het zijne, aan Pippa's onrustige gewriemel terwijl ze praatten. Ze zaten nu toch al een minuut of twintig samen aan tafel en Isabelle had niet eens naar Suzanne geïnformeerd. Zij was geen fan van haar, en omgekeerd al evenmin, maar dan nog. (pag. 302)

Lucas dient, toch tenminste in zijn eigen hoofd, af te rekenen met een aantal demonen die hem achtervolgen. Zo is er zijn stotterende zus, die hij regelmatig bezoekt in een gespecialiseerde instelling. Doordat de auteur Suzannes gestotter letterlijk uitschrijft kunnen deze gesprekken eindeloos duren, waardoor diagonaal lezen in sommige hoofdstukken de beste optie lijkt. Er is ook Lucas' vrouw Isabelle, een onpeilbare vrouw die op een dag moet vaststellen dat haar echtgenoot elders is gaan wonen. En dan zijn er ook de mensen die hij ontmoet op de brug uit het eerste hoofdstuk: randfiguren die een fatale duik willen nemen, of die er net iemand komen herdenken die dat eerder al heeft gedaan. Eén van hen is Riley, een kleine jongen die er aan zijn moeder komt denken en daarbij een soort genegenheid opvat voor Lucas, de volwassene die hem hierover aanspreekt. Maar optrekken met jonge jongetjes is niet helemaal zonder gevaar in deze post-Dutroux-tijden.

Met dit boek veroorzaakte Op de Beeck heel wat controverse toen het uitkwam. Dat zij hier schrijft in de 'gij'-vorm en daarbij aan haar publiek opnieuw de bijbehorende spellingregels diende uit te leggen, zorgde voor enige discussie in de media. Dat ze in interviews toegaf als kind zelf ooit misbruikt te zijn (net zoals Suzanne in het verhaal), werd niet door iedereen geapprecieerd. Zelfs mijn schoonvader - een gepensioneerde wijkagent die buiten zijn dagelijkse krant nooit iets leest - had dit alles opgevangen en had er zijn eigen meninkje over klaar. Maar is het boek al die controverse wel waard? Da's dan weer twijfelachtig. Net zoals Lucas is het voor de lezer een kwestie van af te wachten (tot er nog eens iets gebeurt) en door te bijten tot het einde.

Lucas wandelde de straat uit. Een vrouw met een te zware tas wisselde voortdurend van hand. Een meisje met een paardenstaart stond vloekend te prutsen aan het slot van haar fiets dat weigerde open te gaan. Een vijftiger met een sigaret in zijn mond keek voortdurend om zich heen, als was hij twaalf en bang om betrapt te worden. Lucas liep verder langs het verlaten wandelpad dat opklom tot zijn brug. Hij keek goed om zich heen. Geen mens te zien, hier was alles lucht en bomen en stenen en zand. Eeuwigheid, wachtend. Het waren de mensen die sporen achterlieten en er zo tijd aan gaven, en vergankelijkheid. (pag. 98)

**

van den Broeck, W. (2007), De veilingmeester, De Bezige Bij, Amsterdam

Na een aangename ervaring met Brief aan Boudewijn (uit 1980 - een recensie vindt u ergens hieronder) pikte ik in de bibliotheek op goed geluk De veilingmeester van de leesplank. In 1967 gaf Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941) zijn debuut uit in eigen beheer. De troonopvolger was een semiautobiografische roman die draaide rond een vader-zoonrelatie. In De veilingmeester verwijst de auteur op een speelse manier naar zijn eigen debuut. De veilingmeester in kwestie, die luistert naar de naam Bo Van Dorselaer, treft bij het inventariseren van een inboedel een verborgen kast aan vol exemplaren van een onuitgegeven boek, De troonopvolgster, geschreven door een zekere Walda Van den Brogel (begrijp de hint naar Walter van den Broeck zelve). De hoogst intrigerende colofon van deze boeken zet hem ertoe aan om ook de resterende exemplaren te bemachtigen.

Als een dolleman reed ik naar de veilingzaal. Ik ijlde naar boven en maakte licht. De jongens hadden de kast in het midden van de kamer gezet. De boeken bleken in kartonnen dozen te zitten. Niets stoffelijks was mij ooit dierbaarder geweest dan die boeken, voelde ik op dat moment. Geen enkel meubel, kunstwerk, sieraad. Niets van al dat prachtigs dat ik de laatste jaren onder ogen had gehad. Ik schoof de kast tegen een wand en zette de boeken er voorzichtig in alsof ze van porselein waren. Daarna gleed ik met een vinger langs de identieke ruggen. Voortaan zou ik tegen beter weten in niets onverlet laten om de oplage te completeren. Elk exemplaar ging door mijn handen. Ik probeerde de tekst te lezen. Misschien gaf die een aanwijzing. Maar na een paar zinnen gaf ik het al op. Er was geen touw aan vast te knopen. (pag. 119)

Bij zijn zoektocht stuit Van Dorselaer op een mysterieuze concurrent die de prijs van de laatst overgebleven exemplaren opdrijft tot astronomische hoogten. De veilingmeester raakt geobsedeerd. Hij zet zijn veilinghuis, de relatie met zijn vrouw én zelfs heel België op het spel. Want zoals van hem geweten is, kan de schrijver het Belgische koningshuis maar moeilijk met rust laten. Dat is in dit boek niet anders, maar over de passage die wijlen koning Boudewijn hier maakt, ga ik omwille van het leesplezier niet uitweiden. In elk hoofdstuk valt er wel ergens een lijk uit de kast. De lezer ziet alle puzzelstukjes in elkaar schuiven, maar zelfs dan nog houdt de verteller een ultieme verrassing in petto.

Vera had me leren omgaan met het internet. Ze had gehoopt dat ik met behulp van die toverdoos mijn achterstand in zou halen. Dat probeerde ik ook wel, en het lukte ook wel, maar algauw dweilde ik de catalogi van de antiquariaten af. Nachtenlang zocht ik naar Walda Van den Brogel en haar boek De troonopvolgster. Door mijn beperkte vertrouwdheid met het nieuwe medium en mijn aangeboren onhandigheid duurde het allemaal veel langer dan nodig. Ik sliep nauwelijks nog en het eten dat Vera me kwam brengen roerde ik amper aan. Eén ding leerde ik bij dat al: het internet is een tijdvreter. 'Maar kijk nu toch eens naar jezelf!' riep Inge op een dag uit. Ze trok me in de gang voor de grote spiegel. Ik schrok me een halve rolberoerte. (pag. 143)

Zoals recensent Frank Hellemans (Knack, 2007) bij de publicatie van De veilingmeester al opmerkte: "Van den Broeck heeft zich in deze betere boulevardkomedie helemaal uitgeleefd. Het vertelplezier spat van de bladzijden. (...) Met lichte spot portretteert de schrijver ook zichzelf wanneer hij, zoals een filmregisseur in een cameo, eventjes door het beeld loopt: Raar, hardhorend aan de linkerkant en lichtjes dementerend. De veilingmeester is een boek waarin blijkbaar niets moest en daardoor is alles op zijn pootjes terechtgekomen."

****


van Aken, J. (2018), De ommegang, uitgeverij Em. Querido, Amsterdam

Isidorus van Rillington vertelt op autobiografische wijze hoe hij als baby werd gevonden voor de poort van een Engels klooster en er vervolgens in een schapenstal opgroeide tot een leergierige puber. Op een dag leert hij hoe iemand makkelijk een grote hoeveelheid tekst in z'n eigen geheugen kan opslaan. Hij toont zich al snel een meester in deze geheugenkunst. 'De ommegang' is de naam die Isidoor zijn magnifieke geheugen toekent. Het is een denkbeeldig paleis waarin hij alles opslaat wat hij leest, misschien wel alle kennis waarover men in de 15de eeuw, kort voor de uitvinding van de boekdrukkunst, kon beschikken. Isidorus twijfelt dan ook voortdurend wat hem het meest dierbaar lijkt: de gave om mensen te genezen, dan wel de kennis om architecturale hoogstandjes, zoals paleizen en kathedralen, te ontwerpen. Wat volgt is een zeshonderd bladzijden lange zoektocht naar een antwoord hierop, een tocht die hem van Engeland naar China brengt om uiteindelijk te eindigen in Konstanz.

'Ik honger naar kennis. Ik wil leren over de wereld en de hemellichamen en hun bewegingen. Ik wil lezen over de natuur en de aard der dingen, ik wil verder met de studie van wiskunde, astronomie en astrologie - en ooit zal ik de faculteit medicijnen bezoeken. Er zijn zoveel zaken die mij interesseren. Maar ik ben bereid om het allemaal op te geven voor de grote kunst van het bouwen.' De mannen aan de tafel naast ons hieven een drinklied aan. Guiscard moest zijn stem verheffen om te spreken. Het gezang zwol aan. Ik lachte verontschuldigend naar hem, want praten had onder die omstandigheden niet veel zin. (pag. 93)

De lezer reist mee met Isodorus en beleeft de middeleeuwse wereld door diens ogen. Isodorus ontmoet Maelgys en diens dochter. De oude man draagt een geheim met zich mee. Of liever: een 'inzicht'.

'Ik verwierf kennis die niemand in ons gedeelte van de wereld bezit en daarbuiten misschien een enkeling. Ik gaf het door aan mijn dochter, maar zij is te jong en onrijp om het helemaal te bevatten. Ik daarentegen ben inmiddels te oud om het voor mezelf te houden. Elke dag opnieuw speelt me door het hoofd wat een ramp het zou zijn als ik deze reis niet zou overleven, waardoor het inzicht weer voor duizend jaar of langer verloren gaat. Lorea en ik zijn het erover eens dat we jou in onze inzichten moeten laten delen.' Ik keek hem aan en wachtte ademloos, elk woord kon nu het verkeerde zijn en hem doen besluiten om het toch voor zich te houden. Maelgys sloot zijn blinde ogen en hij begon een liedje te neuriën, dat langzaam overging in woorden, maar de taal begreep ik niet. (pag. 349)

Het besef van de oneindige complexiteit van de werkelijkheid, en de hoogmoedige gedachte dat hij de wereld rondom hem met zijn kennis kan sturen, betekent Isidorus' ondergang. Maar hoe dit proces precies verloopt, dat vormt nu net de kern van dit prachtige boek, dat deels leest als een avonturenroman, deels ook als een reisverhaal. De intrigerende plot maakt duidelijk hoe machtig de menselijke geest kan zijn, maar hoe weerbarstig ook de werkelijkheid.

Jan van Aken is er in geslaagd om een schitterende roman te schrijven waarin hij een levendig beeld oproept van lang vervlogen tijden, niet door zich strikt te houden aan wat de historici daarover hebben gepubliceerd, maar door te kiezen voor een mix van feitelijkheden, fantasie en humor.

****

Zusak, M. (2018), De bruggenbouwer, The House of Books, Amsterdam

Ze zou ons nooit zien opgroeien. Alleen maar huilen en stilletjes huilen. Ze zou nooit mijn broers de middelbare school zien afmaken en andere absurde mijlpalen. Ze zou ons nooit zien worstelen en lijden, die eerste keer dat we een stropdas omdeden. Ze zou er niet zijn om ons eerste vriendinnetje aan een vragenvuur te onderwerpen. Had dit meisje ooit van Chopin gehoord? Wist ze van de grote Achilles? Al die suffe weetjes, allemaal beladen met een prachtige betekenis. Ze had nu alleen nog maar haar verbeeldingskracht, ze kon onze levens bedenken voordat we ze zouden leven: we waren onbeschreven en lege iliassen. We waren odysseeën voor de grijp. (pag. 543)

Na De boekendief en De boodschapper hoeft Markus Zusak niets meer te bewijzen. Blindelings mogen we geloven dat hij enkel boeken schrijft die dubbel en dik de moeite zijn. Zo ook deze vuistdikke De bruggenbouwer. Oké, 567 bladzijden is voor vele potentiële lezers allicht een beetje teveel van het goede, maar bedenk dan even dit: één fantastisch boek van zeshonderd bladzijden is waardevoller dan drie flutboekjes die amper tweehonderd bladzijden tellen (zie o.a. De Hills, Meneer Kato speelt familie en Juliette of het geluk van boeken, alle drie hieronder te vinden).

De bruggenbouwer omvat op zijn beurt dan ook meteen drie verhalen die ieder op zich een aparte roman waard zijn, maar niet onbelangrijk is de manier waarop Zusak de verschillende onderdelen met elkaar verweeft.  Zijn nieuwste roman is een soort familiekroniek waarin de chronologie ondergeschikt is aan de emoties. Verteller Matthew, één van de vijf broers Dunbar, tikt het verhaal uit op een oude, opgegraven typmachine. Hij doet dat 's nachts in dezelfde keuken waar zich eerder een groot deel van de gebeurtenissen afspeelde. Hij vertelt hoe zijn moeder Penelope Lesciusko uiteindelijk Penny Dunbar werd. Penny zou te vroeg sterven, zoveel is al snel duidelijk. De vijf broers zullen elkaar moeten zien op te voeden, met Matthew, de oudste, aan het roer van het zwalpende huishouden. En hun vader dan? Ook over hem vertelt Matthew, maar slechts erg gefragmenteerd komt de lezer iets te weten over Michael Dunbar. Hoe hij, 'de moordenaar', op een dag weer opduikt met een verrassend verzoek. Hoe één van de broers, Clay, besluit om zijn vader te volgen wanneer hij opnieuw vertrekt. Net deze Clay blijkt in feite de voornaamste hoofdrolspeler in het boek, waarvan de oorspronkelijke titel eigenlijk 'Bridge of Clay' luidt: 'de brug van klei' of 'de brug van Clay' dus. Het is niet toevallig een belangrijke woordspeling.

Nauwgezet biedt Matthew ons een volledige inkijk in het leven van alle figuren die het boek bevolken: ouders, broers, de grote liefdes in hun leven, zelfs huisdieren en minder belangrijke nevenfiguren krijgen de nodige aandacht. Betekent dit dat het boek soms saai dreigt te worden? Zelf heb ik slechts een tiental bladzijden wat sneller en diagonaal doorgelezen. Dat komt omdat de schrijver zich in deel 7 soms wat teveel begint te verliezen in details rond paardenraces, een wereldje dat mij maar matig kan boeien. Doet dit afbreuk aan de rest van het boek? Geenszins.

Hoe is het mogelijk, bedacht ik tijdens het lezen, dat een schrijver zo'n volledig en gedetailleerd verhaal weet te bedenken. Is dit boek dan misschien biografisch? Kent Zusak de mensen wiens leven hij hier zo nauwgezet beschrijft?

'Toen ik het boek net af had, kon je me bij elkaar vegen,' vertelde de schrijver in een interview met Jelle Van Riet (De Standaard, 23 nov. 2018). 'Zo versmolten was ik met Matthew, de gespierde, nuchtere, aldoor vloekende verteller die aan 't eind beseft dat hij deze tragisch mooie geschiedenis alleen maar kon neerschrijven omdat hij zoveel van zijn broer Clay houdt. Het voelde alsof ik met Matthew boven mezelf was uitgestegen. (...) Penny wordt ziek als de jongens tussen vijf en zestien jaar oud zijn, omdat toen ik dertien was de moeder van een vriendje aan kanker is gestorven. Ik herinner me nog goed dat ik haar met een tussenpoos van een maand terugzag, ze stond in de hal van hun huis, en toen echt dacht: mijn god, daar staat de dood in een nachtkleed. Dat vergeet ik nooit. Mijn ouders leven gelukkig nog, maar zij hebben dan weer net als mijn schoonouders een hele wereld achter zich gelaten en ook dat draag ik in mij.' Twaalf lange jaren heeft de auteur nodig gehad om deze roman te voltooien. 'Dit keer heb ik echt eindeloos zitten klooien. De enige reden waarom ik heb doorgezet is dat werkelijk al mijn invallen met dit boek te maken hadden. Het is geschreven met alles wat er in mij zit. Meer kon ik, denk ik, niet geven.'

Even nog heb ik getwijfeld of ik het boek hier bij recensies voor volwassenen zou neerzetten, dan wel bij die voor jongeren. Het grootste deel van dit boek sluit immers erg nauw aan bij de leefwereld van stoere kerels en paardenliefhebbende meiden. De bruggenbouwer is dan ook zeker leesvoer voor jongens en meisjes vanaf 16 jaar, al vermoed ik dat de dikte van het boek hen te snel zal afschrikken.

****

Faldbakken, M. (2018), De Hills, Meulenhoff boekerij bv, Amsterdam

Weer sleept ze een gevoel van déjà vu met zich mee dat vandaag nog sterker is. Haar kracht. Haar houding, de manier waarop ze haar schouderbladen samentrekt. Haar schoenen. Die intelligente contrapunktiek van haar kleding. Het meisje krijgt de ruimte om te stralen. Mijn werkplek verandert op slag in een toneel, een arena. Tegelijkertijd is het alsof ze de gehele grandeur, oudheid en beeldbepalende vlijt van De Hills omlaagbrengt tot op het niveau van haar heupen. De Hills is een eetgelegenheid, maar dit meisje drukt in vele opzichten een haat uit tegen vlees, tegen de fantasie over de basis van het beest, het skelet. Ze praat in haar telefoon. 'Als ik het woord negativiteit hoor, bel ik mijn psycholoog,' zegt ze lachend.         (pag. 77)

Restaurant De Hills ademt de sfeer van vroeger tijden. De lezer wordt er binnengeleid door de ober die sinds jaar en dag werkzaam is in dit restaurant, dat ouderwetse grandeur uitstraalt. Met strikte discretie vormt hij de ogen en oren van de roman en registreert hij de eigenaardigheden van de bezoekers. In dit vervallen etablissement, waarin alles zijn plaats en regels heeft, worden de ideeën en de geest van het Europa van weleer zorgvuldig bewaakt. Tot de dreiging van verandering wel degelijk komt, in de onschuldige vorm van een jonge vrouw die stilletjes een stoel tussen de vaste gasten uitzoekt.

Matias Faldbakken weet snel en trefzeker, via de gedachten van de ober, een degelijk beeld van de omgeving en zijn personages te schetsen. Doorgaans lijkt de vertellende kelner een man die wel weet hoe de wereld in elkaar zit, maar soms valt hij ook door de mand. Op z'n zwakste momenten lijkt hij echter meer op een Basil Fawlty (John Cleese in Fawlty Towers, kent u 'm nog?) die verdwaalt in z'n eigen hersenspinsels en blindelings overgaat tot onverwachte handelingen.

Het Vrouwmeisje luistert. Neemt ze het in zich op? Ik ratel maar door. Het is gezond, zeg ik nu. Antioxidanten zijn belangrijk, zeg ik. Aha, daar kun je de leuterkop aan herkennen. Mensen die de mond vol hebben van zaken waar ze niets van afweten, praten altijd over antioxidanten. (...) Wist u dat wel? Nee, dat wist het Vrouwmeisje niet. Begrijpt u misschien waar ik naartoe wil? Nee, ze twijfelt. Nou, groente zit vol met antioxidanten. Rodekool, groenekool. En misschien vooral in broccoli. En wat is het neefje van de broccoli? Het Vrouwmeisje wijst naar de kool. Precies! De romanesco.             (pag. 171)

Halverwege begint het mij stilaan te dagen. Terwijl ik lees worden de resterende pagina's schaarser, en nog steeds is er niet echt iets gebeurd. Ik rekende op een kelner die gesprekken zou afluisteren die de ondergang van Europa zouden illustreren, of die op z'n minst de motivatie van machtige heren zouden blootleggen, terwijl ze ruziën om een jonge maar geslepen meid. Helaas, de schrijver stopt zijn zo veelbelovende boek vol pietluttigheden die voor niets anders lijken te dienen dan het testen van het geduld van de ijverige lezer.

'Wie zijn romans bij voorkeur hapklaar en duidelijk heeft en zich 'de bedoeling' van de schrijver graag op een bordje laat presenteren, zal met dit boek op zijn honger blijven zitten,' stelt Christophe Vekeman in zijn recensie voor De Morgen (zie link). 'Literaire fijnproevers, echter, wens ik met een lichte buiging en de vlakke hand tegen mijn buik aangedrukt smakelijk lezen toe.'

Het probleem is, beste recensent, dat ik de laatste tijd teveel boeken heb uitgelezen waarin weinig tot niets stond te gebeuren. Stilaan hoop ik nog eens een roman te treffen met enige vaart. Zo eentje waarbij ik niet al na drie zinnen ben ingedommeld. Kortom, een spannend boek. Want zulke slappe kost, waarin de protagonist rondjes blijft draaien op dezelfde tegel en maar alles voor zich uit neuzelt wat in 'm opkomt, dat hoeft voor mij eventjes niet meer (zie ook: Meneer Kato speelt familie en Juliette of het geluk van boeken).

'De Hills is werkelijk een van de meest genadeloze boeken die ik in lange tijd heb gelezen,' lees ik op de achterflap (***** Verdens gang). 'Dan lees je vast niet erg veel,' bedenk ik als antwoord hierop, en voel mij om de tuin geleid.

*

M. Flasar, Milena (2018), Meneer Kato speelt familie, uitgeverij Cossee BV, Amsterdam

Zijn pantoffels. Zodra hij erin glijdt, is hij thuis. De binnenzolen hebben de vorm van zijn voeten aangenomen, en ook al is de bruinleren neus al behoorlijk versleten en is het bruin alleen nog in zijn herinnering bruin, toch wil hij precies vanwege de binnenzolen geen afstand doen van de pantoffels. Hij heeft ze van zijn vader geërfd, en als het aan zijn vrouw had gelegen, had hij ze bij het vuilnis gegooid met de andere spullen, de kranten en de potten en de straalkachels, maar hij heeft ze bewaard omdat ze het eerste waren wat hem bij het betreden van het ouderlijk huis in het oog was gesprongen, hoe ze daar op de gang stonden, eenzaam, bijna het enige persoonlijke wat zijn vader hem had nagelaten, afgezien van de goedkope horloges en een schriftje waarin hij meticuleus had genoteerd wanneer hij stoelgang had en wat de consistentie ervan was, of er bloed bij zat of niet.            (pag. 44)

Milena Michiko Flasar (1980) woont en werkt in Wenen. Zij is de dochter van een Japanse moeder en Oostenrijkse vader. Die Europees-Aziatische afkomst laat zich duidelijk voelen in haar romans Een bijna volmaakte vriendschap en deze Meneer Kato speelt familie. De verhaallijnen en setting doen eerder Europees aan, maar de personages zijn Oosters.

Meneer Kato speelt familie wordt volledig verteld vanuit het standpunt van een man op leeftijd, een jong-gepensioneerde die verdwaald lijkt in zijn eigen enge, kleingeestige gedachtenwereld. Hij gedraagt zich als een schoft tegenover zijn vrouw die, om toch maar iets meer te kunnen betekenen dan enkel zijn huismeid te zijn, besluit om danslessen te gaan nemen. Dat zint hem niet. Hij verwacht van haar niet anders dat het appartement er netjes uitziet en dat zijn eten op tijd klaarstaat, precies zoals ze weet dat hij dat wenst. Maar dan ontmoet hij tijdens een wandeling een jongedame die optreedt als stand-in.

De jonge vrouw bijt op haar onderlip. En dan, ineens helemaal oprecht en zichtbaar opgelucht, haalt ze diep adem en zegt: 'Ik speel familie.' Een zin die hem, dat weet hij, zal bijblijven, hij weet het op het moment dat ze hem uitspreekt, dat het een van die zinnen is die hem 's nachts wakker houden, als hij eindeloos ligt te woelen en door de muur heen tegen zijn vrouw wil zeggen: 'Kom toch naar me toe. Laat dat toch. Weg met al die onbenulligheden die ons niet vooruithelpen.' (...) 'Familie?' hoort hij zichzelf zeggen. 'Maar dat kun je toch niet spelen.'          (pag. 29)

Als nieuwe medewerker van haar agentschap gaat de man eveneens optreden als stand-in. De ene keer is hij een lieve opa, een andere keer een echtgenoot die gedwongen is te luisteren naar zijn vrouw, dan weer een baas die wordt uitgenodigd op het huwelijksfeest van een van zijn werknemers. Aan het einde van de rit is het moeilijk te vatten met welke boodschap de schrijfster haar publiek nu precies naar huis wil sturen. De ene lezer zal deze roman weinig opwindend vinden, een ander zal misschien volop genieten van het delicate aspect ervan. Deze delicaatheid lijkt precies wat Milena M. Flasar wil aantonen: 'Wat is dit saai! Was het allemaal maar wat opwindender'. Telkens wanneer het immers net een beetje spannend dreigt te worden, draait de schrijfster de kraan toe en gebeurt er... niets. Daardoor sleept het verhaal zich zo'n beetje naar een einde toe en lijkt het vooral een waarschuwing, gericht aan bijna-gepensioneerden: 'Zorg dat je enkele hobby's achter de hand hebt tegen dat het zover is!'

**

van den Broeck, W. (1980/editie 2010), Brief aan Boudewijn, Meulenhoff/Manteau

Walter smokkelde een aardappelmesje mee naar buiten. Op een omgekeerde emmer ging hij zitten (...) en begon voorzichtig een schilfer van een stukje hout te snijden. Die schilfer sneed hij in tweeën. De ene helft gooide hij weg en de andere sneed hij nog eens in tweeën. Het lag in zijn bedoeling zo lang te snijden tot hij uiteindelijk een atoom over zou houden. Die zou hij dan in een luciferdoosje bewaren tot de internationale toestand te bar zou worden. Dan zou hij hem aan uw vader geven, en die zou er één atoombom van laten maken. Maar naarmate de schilfer kleiner werd, groeide zijn angst. (...) Paniek sneed hem de adem af. Hoe had hij dat in godsnaam over het hoofd kunnen zien? Immers, hoe zou hij het verschil kunnen zien tussen een heel en een half atoom? Kortom: wanneer moest hij ophouden met snijden? Morgen had in de krant kunnen staan: 'Jongetje van acht doet vaderland in de lucht springen door onbekommerd met atomen om te springen.'  Met kloppend hart deed hij het dubbelatoom in een blikken doosje en begroef het tussen de wortels van de seringenhaag.        (pag. 248)

Brief aan Boudewijn was het startschot van de vierdelige cyclus Het beleg van Laken, een mijlpaal in de Vlaamse literatuur én de roman waarmee Walter van den Broeck op zijn eigen, ingenieuze manier 150 jaar België herdacht. In de vorm van een onthullende en toch gevoelige rechtstreekse brief aan koning Boudewijn, vat de schrijver zijn jeugdjaren in de Kempense gemeente Olen samen, in de jaren veertig en vijftig. In die periode is Olen in de eerste plaats een industriedorp. De schrijver inviteert de koning voor een anoniem bezoek aan deze plaats. Walter lucht zijn hart, geeft blijk van een diepe verbondenheid met de cité en scherpt het contrast aan tussen de rijkdom van de koning en de armoede van de vele arbeidersgezinnen.

Halverwege wordt het boek wat langdradig, wanneer de schrijver werkelijk élke inwoner van elk arbeidershuisje begint te beschrijven. Tal van amusante karakterbeschrijvingen passeren de revue, maar verder dient de lezer hier niet noodzakelijk mee aan de slag te gaan. Tot een rechtlijnig verhaal waarin al deze figuranten nog een rol van belang gaan spelen, komt het immers niet. De schrijver mijmert wat in het wilde weg, getuigt van vele leuke anekdotes en details die hij zich herinnert en die de cité karakteriseren. Saai wordt het nooit, maar de overvloedig vele details maken van Brief aan Boudewijn een boek zonder enige vaart.

Op 28 mei van dat jaar staan Walter en zijn moeder het mansarderaam te schilderen. Hun aandacht wordt aldoor getrokken door de drukte om huize Clé. Aan het heen en weer geloop van Nathalie is te merken dat het gevecht met de dood heftig is. Het grijpt Walter sterk aan dat de hele omgeving er nu al zeker van lijkt te zijn, dat Fons de strijd zal verliezen. En hoewel hij wat later begrijpt dat die collectieve huivering de reflex is waarmee de buurt zich van het meegeleden leed poogt te ontdoen, toch blijft hij vinden dat zij het recht niet heeft te doen alsof de uitslag nu al bekend is. (...) Maar dan komt Jos van Hirtum naar buiten. Niets hoeft hij te zeggen. Men begrijpt. Men weet. Fons is dood. Walter kan zijn verbijstering nog slechts met de grootste moeite bedwingen. En kijk, de vogels vliegen van de ene kruin naar de andere, iemand fietst voorbij, het wasgoed wappert nog steeds, de wereld heeft geen krimp gegeven. (pag. 215)

Ik kocht deze hernieuwde uitgave toen ik de auteur bezig zag met het signeren van zijn werk op de Boekenbeurs. Ik vertelde hem hoe Brief aan Boudewijn destijds bij mijn ouders thuis in de ban werd geslagen. Zelf was ik zeven toen het boek uitkwam, maar ik herinner me nog hoe mijn vader, die zelf zijn hele leven in de koperfabrieken van Olen had gewerkt (van 1971 tot zijn pensioen, ruim 45 jaar later) beweerde dat de schrijver de fabriek met de grond gelijk maakte. 'En stel dat tfabriek door zo iemand moet sluiten, wat dan gedaan!'

Terwijl van den Broeck bezig was mijn exemplaar te signeren, zei hij rustig: 'Dat is helemaal niet het geval.' En inderdaad: hoewel alle personages lijken te beseffen dat tfabriek hen op termijn ernstige gezondheidsproblemen zal opleveren, weten ze maar al te goed dat ze geen keuze hebben.

***

Van Leeuwen, J. (2012), Feest van het begin, uitgeverij Em. Querido, Amsterdam

Soms is de reis interessanter dan de eindbestemming. Deze zin speelt door mijn hoofd sinds ik gisteren de laatste aflevering van 'Top of the lake: China Girl' bekeek, de prachtige tv-reeks van Jane Campion, om vervolgens - met pijn in het hart - het laatste hoofdstuk van Joke van Leeuwens Feest van het begin achter mij te laten.

Feest van het begin speelt zich af tijdens de Franse revolutie. Een meisje belandt bij nonnen in een vondelingenhuis. Door haar vrijgevochten natuur is ze daar niet op haar plek. Berthe, de non die Catho leert lezen en schrijven, wordt haar steun en toeverlaat.

Catho vraagt of ze Berthe een keer zonder kap mag zien en Berthe toont haar haren, die plat en benauwd op haar hoofd liggen. Catho maakt een kam van haar vingers en geeft ze lucht, terwijl ze de vraag krijgt toegespeeld of ze wel eens aan een man denkt, en aan wat voor man ze dan denkt en ze zegt ja, maar dat ze er geen gezicht bij ziet, dat ze soms, als niemand het merkt, een van de pilaren omhelst en streelt en doet of die een man is en dan zegt Berthe dat ze van haar schoot af moet, ze schrikt ervan, ze denkt dat ze iets verkeerds heeft gezegd, maar Berthe staat ook op, haar haren steken als richtingaanwijzers alle kanten uit, ze houdt haar brede lichaam stijf als een pilaar en Catho streelt even over de ingepakte golfjes vlees in haar zij en omhelst haar dan, ze ruikt de geur van haar hals onder haar oren. (pag. 72)

Regelmatig zorgen de gebeurtenissen die leiden tot de politieke omwentelingen in Frankrijk, zoals de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789, tot verrassende wendingen in het verhaal. Net zoals de personages kan ook de lezer nergens nog zeker van zijn. Catho en Berthe, maar ook een schilder (Gustaphe) en een instrumentenbouwer (Tobias) zullen keuzes moeten maken om zich telkens weer aan te passen aan de stand van zaken.

Toen hij Charles' achternaam noemde schrok ze heftig, hij moest de naam herhalen, hij moest de voornaam herhalen en met een frons als een v op haar voorhoofd vroeg ze hoe hij het in zijn hoofd haalde om aan te pappen met een beul, wist hij niet dat die man beul was, de hele hoofdstad wist het, hoe kon hij dat doen, en even was Tobias van slag, maar toen berispte hij haar krachtig, hij zei dat ze op haar woorden moest letten, dat die man, wat hij ook deed, liever viool speelde, dat hij prachtig speelde voor een amateur. (pag. 83)

Joke van Leeuwen weeft de verhaallijnen van haar verschillende hoofdpersonages prachtig door elkaar heen. Zullen zij elkaar op een gegeven moment ergens ontmoeten? Zullen hun keuzes een invloed hebben op het leven van de anderen? Zal de Franse Revolutie zich door de keuzes die zij maken anders ontwikkelen? Zoals ik al zei is de reis interessanter dan de bestemming. De schrijfster laat immers erg veel ruimte voor interpretatie. Een laatste hoofdstuk dat alles in zijn definitieve plooi zou kunnen leggen, laat zij bewust achterwege. De lezer moet na afloop zelf maar uitmaken hoe het de protagonisten verder zou vergaan. Feest van het begin is een schitterend boek. Van Leeuwens schrijfstijl is subliem en meeslepend. Met veel zorg heeft zij haar woorden en zinnen gewikt en gewogen. Alleen het hoogtepunt blijft uit. Van sommige boeken lijkt de lezer zich uiteindelijk niet meer te herinneren hoe ze ook alweer eindigden. Dat komt dan allicht doordat ze niet eindigen.

****

Féret-Fleury, Ch. (2018), Juliette of het geluk van boeken, uitgeverij HarperCollins Holland

Het dunne boekje spong mij in de boekhandel meteen in het oog: een mooie cover, een veelbelovende korte inhoud en een intrigerende titel, meer had ik niet nodig om Juliette of het geluk van boeken (oorspr. La fille qui lsait dans le métro) langs de kassa te laten passeren. Misschien ging ik dit keer toch wat overhaast te werk.

'Het leven van Juliette, een jonge en dromerige Parisienne, is saai en voorspelbaar,' lees ik op de achterflap. Pas nu, nu ik het heb uitgelezen, besef ik dat in deze zin alvast twee woorden staan die het boekje perfect omschrijven: 'dromerig' en 'saai'. Want laat me duidelijk zijn, het fluisterend vertelde verhaaltje is flinterdun en kan in drie zinnen worden samengevat. Veel te lang uitgesponnen zinnen reflecteren niet zozeer het schrijfplezier waarmee Féret-Fleury aan het werk ging, maar eerder een soort overijverige hoogmoed. In deze eindeloze zinnen slaat zij de lezer om de oren met tal van onbenullige details die niets toevoegen aan haar kortverhaal, maar het nodeloos uitrekken tot een ambitieuze 171 bladzijden.

De dagen waarop Juliette - verschanst achter haar vlindermodel zonnebril en in de enorme sjaal die haar oma Adrienne in 1975 voor haar dochter had gebreid, een sjaal van tweeënhalve meter, om precies te zijn in een fletsblauwe kleur, de kleur van bergtoppen in de verte om zeven uur 's avonds in de zomer, en dan niet zomaar ergens, maar als je vanuit de hoger gelegen gedeelten van Prades naar de bergen van Canigou kijkt - zich afvroeg of haar bestaan van meer waarde was in deze wereld dan dat van de spin die ze die ochtend in de douche had verdronken. (pag. 7)

Wanneer je als lezer deze zin al op de allereerste pagina krijgt voorgeschoteld, dan weet je eigenlijk al genoeg: dit dunne boekje wordt een lange rit. Om telkens weer nieuwe energie te vinden om, ondanks alle bordkartonnen karakters en Juliettes ongebreidelde geneuzel, het verhaal alsnog uit te lezen, hopend dat er op iedere volgende bladzijde eindelijk iets staat te gebeuren, het is een hele opgave. Maar helaas, beterschap zit er op geen enkel ogenblik in.

Juliette schudde haar hoofd, kwam overeind en veegde de koekkruimels van haar rok. De koekjes waren nogal zacht geweest en ze hadden een vreemde smaak gehad. Te veel kaneel, waarschijnlijk. Hij had er niet van gegeten. De stoomwolkjes die nog uit het koffieapparaat kringelden - dat met regelmatige tussenpozen een zacht geklik liet horen - vormden een bewegend waas voor zijn gezicht, dat zijn trekken vervaagde. Ze had zo onopvallend mogelijk naar hem proberen te kijken, haar blik afwendend zodra die de zijne kruiste. Dat hij was opgestaan en achter haar was verdwenen, was een opluchting geweest. Ze dacht dat ze nog nooit zulke zwarte wenkbrauwen had gezien, zo'n sombere blik, al verzachtte een glimlachje voortdurend de strakke lijn van zijn lippen. (pag. 36)

Laat u niet misleiden door de achterflap. Daarop valt te lezen: 'Een hartverwarmende roman over de kracht van boeken, met het echte Amélie-gevoel'. Als deze slappe kost de kracht van boeken moet vertegenwoordigen, dan mag de hele zwik meteen de brandstapel op. En ook aan Amélie Poulain, de uitstekende film van Jean-Pierre Jeunet, heb ik véél mooier herinneringen dan aan dit papieren onding.

*

Japin, A. (2015), De Gevleugelde, uitgeverij De Arbeiderspers Amsterdam

Het allereerste kopje koffie, wie heeft dat gezet? Als je er nooit van hebt geproefd, kun je er dan trek in krijgen? Je verlangen naar iets dat niet bestaat, hoe wordt dat zo groot dat je uiteindelijk denkt 'geen idee hoe of waarvan, maar vandaag ga ik proberen een kannetje te zetten'? Je weet niet wat het is of hoe het smaakt, geen idee zelfs of je het drinken ervan wel overleeft. Misschien is het wel bocht. Hoogstwaarschijnlijk zelfs. En toch besluit je dat het er moet komen. Een appel op je hoofd krijgen, zoals Newton, om erachter te komen dat alles altijd naar beneden valt en nooit eens naar boven, da's één ding. Daarvoor volstaat het geniaal te zijn, maar in je hoofd alle stappen uitdenken die nodig zijn om een kop koffie te kunnen maken, daar komt krankzinnigheid bij kijken. (pag. 87)

Arthur Japin ging op zoek naar het werk en leven van luchtvaartpionier Alberto Santos-Dumont (1873-1932), de eerste man ooit die op overtuigende wijze van de grond kwam, aanvankelijk met zelfgebouwde luchtballonnen, later ook met constructies die al vaag op vliegtuigen begonnen te lijken. Japin graaft zich in in de denkwereld van deze geniale, maar getormenteerde uitvinder. Hij reconstrueert zijn verhaal, naast tal van andere bronnen, aan de hand van de woorden van Santos-Dumont zelf. Hierover vermeldt Japin in zijn nawoord: 'Het enthousiasme waarmee Alberto Santos-Dumont over het vliegen vertelt komt rechtstreeks van hemzelf. Wat ik niet kon gebruiken omdat het inmiddels is verworden tot cliché, was zijn beschrijving van de bedrijvigheid van mensen op de grond als het heen en weer rennen van mieren in een mierenkolonie. Nu zien wij ze wanneer wij vliegen allemaal op die manier, maar hij was de allereerste die het zo ervoer en heeft beschreven.'

Net zoals bij zijn meer recente roman Kolja, over de raadselachtige dood van componist Pjotr Iljitsj Tsjajkovski, voegt de schrijver met plezier een vleugje homoseksualiteit aan zijn verhaal toe. Naakte kameraden die al eens graag worstelen na een zwembeurt in een rivier, vrienden die stoeien wanneer een van beiden in bad zit of die troost vinden op elkaars schouders... Het zijn figuren die in Japins romans regelmatig opduiken. Het nichterige gedrag van de luchtvaartpionier wordt door zijn omgeving niet begrepen, laat staan gewaardeerd.

Subtiel veranderde de toon waarmee men de vliegenier beschreef. (...) Soms durfde iemand al iets te zeggen over zijn hoge stem, die men bij zo'n man niet meteen verwachten zou. Zulke lange, slanke vingers evenmin, kinderlijk volgens de een, damesachtig in de ogen van een ander. Lange wimpers, geloken oogopslag. 'Een postuur dat weinig meer kon wegen dan een schoolmeisje', schreef iemand, en 'een bijpassend middeltje waarop iedere jonge vrouw jaloers zou zijn.' (...) In plaats van zich mannelijker op te stellen en te kleden, bestelde Alberto een weefgetouw, katoen en wol, en nam het handwerk weer op dat hem in zijn jeugd soms rust gebracht had. (pag. 239)

Japin hanteert zo'n vlotte schrijfstijl dat de lezer diens boeken in een oogwenk uitleest. Alleen, in De Gevleugelde ken deze vlotte voortgang even een dipje, wanneer de jeugd van Santos-Dumont wordt beschreven en verschillende personages elkaar voor de voeten lopen, wat de boel iets moeilijker te begrijpen maakt. Vrouwelijke personages die luisteren naar de naam Dona Francisca de Paula Santos, Guilhermina of Pomponette zorgen voor een inzinking die even blijft aanslepen, maar gaandeweg verdwijnen zij weer naar de achtergrond. Pas daarna komt er schot in de zaak. Bekende historische figuren, zoals Louis Cartier, Loie Fuller of Sarah Bernhardt komen als figurant de boel wat opvrolijken.

'Stiekem in je atelier aan het nieuwste technische snufje zitten sleutelen,' gniffelde Cartier, 'dacht je dat jij daar het patent op had?' Het deksel veerde open. In een bedding van koningsblauw fluwel lag een elegant klokje, vierkant, de hoeken afgerond. De wijzerplaat toonde de uren fors in Romeinse cijfers. Een ketting, als bij een vestzakhorloge, zat er niet aan. In plaats daarvan twee leren riempjes. Cartier griste het kleinood uit zijn verpakking, ongeduldig, en gespte zijn vriend het horloge om de pols. 'Daar, één blik volstaat voortaan! (...) Ik noem hem simpelweg de Santos!' (pag. 258)

Deze goed gedocumenteerde semi-biografie leest vlot, al moet De Gevleugelde het vooral hebben van zijn documentaire karakter en had de spanningsboog best wat strakker gemogen. Een documentaire over de luchtvaartpionier bekijken (zie link rechts) biedt een goed alternatief voor het lezen van Japins roman.

** 

Boven: foto van The Rising Sun, de dag nadat in dit pand een bom ontplofte (30 mei 1884), zoals beschreven in De Horlogemaker van Londen.

Pulley, N. (2016), De horlogemaker van Londen, uitgeverij De Fontein, Utrecht

Toegegeven, ik kocht dit boek eerder impulsief, enkel maar voor de geweldige omslag (Dat schattige gaatje met dat uurwerk erachter! Die gouden opdruk!), en dus zonder te weten met welk genre ik te maken had. Ook tijdens het lezen kreeg ik hierover geen opheldering. Laat dat nu net de sterkte van dit boek zijn. Of de zwakte, afhankelijk van hoe je 't bekijkt.

De horlogemaker van Londen lijkt bij momenten een boek over internationale politieke relaties: de verhouding Engeland-Ierland (google even 'Clan na Gael' of 'dynamite war') en Engeland-Japan (google 'Japanese exhibition at Knightsbridge, London'). Maar het is evengoed een whodunit: wie plaatste de drie bommen die op 30 mei 1884 in Londen ontploften, en waarom? Meer nog dan dat lijkt de schrijfster de magisch realistische kaart te willen trekken, wanneer blijkt dat een van de hoofdrolspelers, de Japanse Keita Mori, bijzonder vooruitziend is en de wildste uitvindingen voor elkaar kan krijgen op basis van tandwieltjes en diamanten. Maar bovenal besteedt Natasha Pulley graag aandacht aan zintuiglijke waarnemingen en psychologische overwegingen. Zij voert Thaniel Steepleton op als een wat naïeve, burgerlijke man die een uitzichtloos bestaan leidt als telegrafist bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

In de drie jaar dat Thaniel op Whitehall werkte had hij nog nooit meegemaakt dat er na achten iets binnenkwam. Een keer had er een vreemd, betekenisloos geratel opgeklonken, afkomstig van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar dat was een ongelukje geweest: aan de andere kant van de lijn was kennelijk iemand op het apparaat gaan zitten. En die had op en neer gewipt. Thaniel had er wijselijk maar niet naar geïnformeerd. (...) Vanuit de telegraafkamer liepen allerlei snoeren door het gebouw naar beneden en verspreidden ze zich als een web over Westminster. Een ervan liep door de buitenmuur naar Buitenlandse Zaken, en een naar de telegraafkamer van de Houses of Parliament. Twee andere voegden zich bij de bundels die langs de straat naar het centrale postkantoor in St Martin's Le Grand leidden. De andere lijnen vormden rechtstreekse verbindingen met het woonhuis van de minister van Binnenlandse Zaken, Scotland Yard, het India Office, de Admiraliteit en andere overheidsafdelingen. Sommige verbindingen waren eigenlijk overbodig, want het ging sneller om elkaar berichten door het open raam toe te roepen, maar de chef zei dat dergelijk gedrag een heer niet betaamde. (pag. 10)

Wanneer Thaniel Steepleton thuiskomt van zijn werk vindt hij een gouden horloge op zijn kussen. Dit zakhorloge redt enkele maanden later op wonderlijke wijze zijn leven. Gefascineerd door het ding gaat hij op zoek naar de maker ervan. Dat blijkt Keita Mori te zijn, een Japanse horlogemaker die Thaniel laat kennismaken met de fantastische wereld van mechaniekjes, muziek en mysterie. Enkele onverklaarbare gebeurtenissen doen Thaniel echter vermoeden dat er meer is dan hij op het eerste oog kan bevatten.

Toen hij de donkergrijze dassen opzijschoof om de twee onderste te kunnen pakken, stuitte hij op een boek. Hij staarde ernaar. Het zag er oud uit met hier en daar barsten in het omslag. Er stond niets op en de rug was gebroken geweest en weer aan elkaar genaaid nadat er pagina's waren toegevoegd. Het was Japans. Hoewel hij bij lange na niet ver genoeg was om de taal goed te kunnen lezen, sloeg hij het boek open. Het was geen dagboek. Er stond wel tekst in, maar dat waren vooral opsommingen die om andere zaken heen stonden, zoals krantenknipsels, nauwkeurige inktschetsen van uurwerken en mensen, en geannoteerde kaarten. (...) Middenin, naast een aantekening over 12 april 1871, stond de datum van vandaag. Het eerste woord was zijn naam. (pag. 148)

De schrijfster legt voorzichtig al haar eieren in hetzelfde mandje en tracht naar het einde toe de lezer nog wat te verwarren, maar het boek mist een écht spannende opbouw. Nooit wordt echt duidelijk waar het verhaal toe zal leiden of voor welk personage de lezer het meeste sympathie mag opbrengen. Enkele interessante zaken raken uiteindelijk kant noch wal. Grace' onderzoek, de schilderijen van een Nederlandse impressionist, Thaniels zus en neefjes... Het zorgt allemaal voor wat extra randanimatie, maar ook niet meer dan dat.  'Stuurloos, maar onderhoudend' is daarom nog de best passende omschrijving bij dit boek.

***

Natt Och Dag, N. (2018), 1793, uitgeverij Prometheus

Niklas Natt och Dag - dat is zijn echte naam, geen pseudoniem - maakt het graag spannend én, naar goede Scandinavische gewoonte, duister.

'Op Winges teken gaan ze elk aan een kant van de brits staan, tillen het doodskleed op en vouwen het netjes op. Het lijk scheidt een zoetzurige, modderige geur af waardoor Winge zijn neusdoek voor zijn neus moet houden, terwijl Cardell genoegen neemt met de mouw van zijn jas. Het lichaam mist zijn armen en benen, die alle vier zo dicht mogelijk bij het lichaam zijn afgezet als je met mes en zaag kunt komen. In het gezicht ontbreken de ogen: de oogbollen zijn uit hun kassen verwijderd. Wat is achtergebleven is ondervoed. De ribben steken uit. De buik is gezwollen door gassen waardoor de navel naar buiten is gekeerd, maar aan elke kant zijn de heupbeenderen direct onder het vel zichtbaar. De borst is vermagerd, nog strak en jeugdig en niet tot de volle breedte van een volwassen man uitgegroeid.'  (pag. 33)

Het jaar is 1793, en in Stockholm wordt een gruwelijk verminkt lichaam uit een rivier opgevist. Cecil Winge staat voor de onmogelijke taak om de identiteit van de romp én van de moordenaar te achterhalen. Het zal zijn laatste zaak worden, want de klok tikt genadeloos. Zijn vergevorderde tuberculose kan hem ieder moment vellen. Om de zaak op te lossen, dient hij af te dalen in een macabere wereld waarin zielenpoten en zwendelaars alles op alles moet zetten om te overleven.

'Zie jullie twee daar nu eens staan! Een vermagerde stakker en een kreupele in vodden en jullie durven naar mij te kijken met van die veroordelende blikken. Wat weten mannen zoals jullie nu van de driften van de edele heren? Deze mannen zijn grootgebracht om te heersen. Die verantwoordelijkheid weegt zwaar. Ze hebben behoefte aan een bepaald soort verpozing waarbij jullie je niets kunnen voorstellen. Ze hebben nauwelijks hun eerste nachtelijke zaadlozing gehad voor ze het kamermeisje bevelen hun lid in de hand te nemen, hem tussen hun borsten heen en weer te rollen en er dan de lippen omheen te sluiten. Als ze het hele aanbod in de stad hebben geprobeerd zonder bevrediging te vinden, komen ze bij mij. Wat ze ook begeren, wij bieden het aan.' (pag. 116)

Natt och Dag zet in 1793, zijn debuutroman, een overweldigend portret van het achttiende-eeuwse Zweden neer. Wars van alle romantiek toont hij het ruwe leven in de straten en smoezelige steegjes van Stockholm. Schuldigen krijgen er niet altijd hun verdiende loon, maar onschuldigen zijn amper te vinden. Op deze setting zou zelfs Stephen King jaloers kunnen zijn. 1793 is een prachtig boek, voor fans van Scandinavische whodunits, met een slimme plot die langzaam wordt onthuld. Maar opgelet: niet voor gevoelige zielen!

****

Helaas begint zich stilaan ook een patroon af te tekenen waar de lezer niet naast kan kijken: de boeken van Natt och Dag lopen over van pijn en ellende, grauwe seksscènes en geamputeerde lichaamsdelen, bloed, brandewijn en rottend vlees. Een en al grauwe ellende, kommer en kwel dus. Wie daar niet van houdt, hoeft er niet eens aan te beginnen.

Ik dacht eerst dat het rozenblaadjes waren, uitgestrooid door de hele kamer als een gelukwens voor ons beiden. Dieprood. Toen ik loom mijn hand uitstak om er eentje te pakken, greep ik in het luchtledige en toen ik mijn hand voor mijn gezicht hield, zag ik dat mijn vingers dezelfde rode kleur hadden. Mijn naakte lichaam zat onder de vlekken. Onder mij was het vloerkleed ook nat. Toen ik overeind kwam en veren dekens van het bed trok, verstoorde ik haar lijkwade. Haar huid had de kleur van de lakens. Haar gezicht was verdwenen. Ze was aan zulk geweld blootgesteld dat de huid had losgelaten en van haar gezicht gestroopt leek. Hadden haar sproeten en geprononceerde jukbeenderen ooit zo'n fraaie eenheid gevormd, nu was er slechts een rood en vormeloos masker van over, de mond een open gat, onmogelijk groot boven een gebroken onderkaak waarin alle tanden ontbraken. In deze stille schreeuw stak de tong blauw en gezwollen naar buiten. (pag. 108)

Kort samengevat: twee schitterende, goed geschreven (en daardoor ook vlot lezende) historische romans, maar niet voor gevoelige zielen.

**** 

Natt Och Dag, N. (2020), 1794, uitgeverij Prometheus

Ook in het vervolg op zijn debuutroman gaat Niklas Natt och Dag op hetzelfde elan door. Alle nodige ingrediënten die 1793 tot een succes maakten, worden in 1794 weer aan de diepbruine en best wel zure soep toegevoegd. Trieste antiheld Mickel Cardell staat opnieuw voor een uitdaging. Zijn rechterhand - wie het boek heeft gelezen, weet dat ik dit ironisch bedoel - Cecil Winge verschijnt weer ten tonele, maar nu in de gedaante van z'n jongere broer Emil, en de lezer ontdekt hoe het Anna Stina Knapp verder verging na haar claustrofobische ontsnapping.

Lessing, D. (2008), Alfred & Emily, uitgeverij Prometheus

1. Over het boek

Ik dacht mezelf eens te verdiepen in auteurs die ooit de Nobelprijs voor Literatuur wonnen. Daarom las ik Alfred & Emily van winnares Doris Lessing. In deze roman vraagt de schrijfster zich af hoe het leven van haar ouders er zou hebben uitgezien mocht de Eerste Wereldoorlog nooit hebben plaatsgevonden. In werkelijkheid werden haar ouders flink getekend door die oorlog. Haar vader Alfred, die eigenlijk een leven als boer had willen leiden, werd getroffen door een granaatsplinter en moest een houten been dragen. Moeder Emily zou de oorlog doorbrengen met het verzorgen van gewonden. Honderd jaar later probeert dochter Doris Lessing hen alsnog het leven te geven dat zij hadden kunnen leiden. Een fictieve biografie dus, en daarmee een schitterend uitgangspunt om een roman aan op te hangen. Mijn verwachtingen waren dan ook hooggespannen. In de eerste hoofdstukken beschrijft Lessing enkele scènes uit de jonge jaren van haar ouders. Even blijft het onduidelijk of de beschreven gebeurtenissen echt hebben plaatsgevonden. Alfred werpt tijdens zijn cricketwedstrijd een snelle blik op Emily en diens vriendin Daisy, maar staat daar verder niet lang bij stil. De twee worden kennissen van elkaar, maar daar blijft het verder bij. Alfred zal een andere vrouw huwen, Betsy. Zij is een fictief personage, zo geeft de schrijfster verderop in het boek toe.

Heel even, op bladzijde 36, krijgt de lezer nog een indruk van het soort roman die werd beloofd. De schrijfster plaatst een fictieve gebeurtenis naast de werkelijkheid, en vergelijkt:

'Hij was in London, in de flat van de meisjes om precies te zijn, en zat te eten toen hij door pijn in de zij kreunend op de grond viel. Ze waren op loopafstand van het Royal Free. Daisy rende naar het ziekenhuis en haalde portiers en een draagbaar, terwijl Emily Alfred naar de voordeur bracht. Hij werd snel naar een operatiekamer gebracht, net op tijd om z'n leven te redden. Z'n blindedarm was gebarsten. (...) In werkelijkheid barstte mijn vaders blindedarm vlak voor de slag bij de Somme, wat hem ervoor behoedde met de rest van zijn compagnie om te komen.'

Dit spelen met tijd en ruimte is interessant. Ik had dan ook gehoopt dat de schrijfster veel meer op dit elan zou doorgaan. Helaas, de rest van het verhaal blijft vlak, een romantische drama waarbij de lezer kan indommelen zonder iets te missen. De moeder van de schrijfster huwt - nog steeds in het fictieve deel van de roman - met een gerenommeerde arts, een verzonnen hartchirurg met de naam dr. Martin-White. De rijk getrouwde Emily blijkt vervolgens een prima vertelster van kinderverhalen, een soort Beatrice Potter, en richt de ene school na de andere op met de erfenis van haar inmiddels overleden man:

'De kinderen konden niet genoeg krijgen van de muizen en hun avonturen, van Mevrouw Miauw en haar avonturen, en dan waren er de vogels op de takken die je door de ramen in de tuin kon zien. 'Meer!' riepen de kinderen. Mary zat in een schommelstoel en glimlachte, en zei weer: 'Emily, je bent er zo goed in. Waar haal je al die ideeën vandaan?' (...) Er kwamen meer kinderen. Ze dromden samen in het kamertje en Mary zorgde voor melk en taart en appels. Vervolgens kwamen er grotere kinderen, onder wie de jongens van Alfred, maar zouden zij genoegen nemen met de avonturen en beproevingen van muizen en merels?'

Het is interessant om op te merken hoe de schrijfster met dit fictieve verhaal haar eigen leven uitwist, aangezien zij haar beide ouders niet samenbrengt en hen zelfs andere kinderen laat krijgen. Mogelijke filosofische bespiegelingen hierover blijven echter uit. Nooit waagt de schrijfster zich voorbij het oppervlakkige verhaal en dat is jammer. Halfweg lijkt de inspiratie op. Het verhaal wordt tamelijk abrupt afgebroken. Wat volgt is een korte, maar weinigzeggende toelichting: 'Bij het schrijven van het gefantaseerde leven van mijn vader en mijn moeder ben ik niet alleen afgegaan op karaktertrekken die je kunt invullen of uitwerken, maar ook op stembuigingen, zuchten, verlangende blikken, net zulke kleine tekens als bekwame speurders gebruiken.'

Het tweede deel van het boek bestaat slechts uit een collage van herinneringen waarbij de schrijfster willekeurige zaken op tafel gooit, versnipperde fragmenten uit het werkelijke leven dat haar ouders leidden: het houten been en de depressie van haar vader, de melodramatische houding van haar moeder, het dagelijkse leven in de Britse kolonie Rhodesië - het huidige Zimbabwe. Deze herinneringen blijven vrij banaal, leiden soms tot nutteloze, ellenlange opsommingen: boeken die vanuit Engeland naar hun verblijfplaats in Afrika werden verscheept ('Alice in Wonderland, The Secret Garden, The Wind in the Willows'...), zelfs bestellingen die hun Afrikaanse kok ooit noteerde ('1 kg. aardappelen, 2 kg. uien, 2 kg. spinazie, 1 papaja, 6 pisangs, 6 sinaasappels'...). Hele pagina's worden gevuld met lijstjes, met onbelangrijke herinneringen die nergens toe leiden ('Het zwarte kalf, een stiertje, was voor mij en ik moest er voor zorgen') en bespiegelingen over de moderne tijd ('Vandaag de dag, met door de tv of internet verrotte geesten, is het niet ongewoon dat een bespreker opmerkt, met kennelijke trots, dat hij/zij 'Oorlog en Vrede' niet kan lezen omdat het zo lang is; Ulysses niet omdat het zo moeilijk is. Toen zou het niet bij lezers zijn opgekomen om hun onkunde te erkennen'). Verder beschrijft Lessing nog de problemen met zwarte bedienden, haar angst voor insecten, de liedjes die haar moeder speelde op een aftandse piano. Pas na het omslaan van de laatste bladzijde besefte ik dat ik mezelf heb verdiept in het onsamenhangende gebazel van een oude vrouw. Was deze schrijfster werkelijk ooit een winnares van de Nobelprijs voor de Literatuur?

**

2. Over de publicatie van het boek

Johan De Haes, recensent op de website cobra.be, doet een poging om Lessings laatste boek zin te geven. Hij noteert: 'Daar, in literatuur en verbeelding, ligt de vrijheid en de bevrijding (...) voor de bijna negentigjarige schrijfster die haar moeder een nieuwe kans geeft, in een roman die de feiten aanvult en corrigeert. Zo eert en begrijpt men een grote rivale en moeder. Zo leert men zichzelf kennen.'

Via de website van vzw Rosa, het kenniscentrum voor gender en feminisme, stel ik vast dat Doris Lessing tussen 1994 en 2001 een autobiografie in drie delen publiceerde, met daarin 'de lotgevallen van een familie doorheen de twintigste eeuw in Londen en Afrika'. Deze samenvatting lijkt verdacht veel op die van 'Alfred & Emily', dat kort na de uitreiking van de prestigieuze Nobelprijs voor Literatuur werd uitgebracht. Het besluit dat het tweede deel van 'Alfred & Emily' uiteindelijk slechts een samenraapsel is van overgebleven fragmenten uit deze driedelige autobiografie, gekoppeld aan een onuitgebracht fictief verhaal en wat foto's uit de persoonlijke collectie van de schrijfster, ligt voor de hand. Een slimme uitgever heeft duidelijk nog wat willen meezeilen op het succes van deze welverdiende Nobelprijs.

3. Over de schrijfster

Zou ik op basis van 'Alfred & Emily' durven te stellen dat Doris Lessing haar Nobelprijs verdiend heeft? Zeker niet, maar gelukkig publiceerde zij meer dan dit ene boek. Veel meer!

Drie elementen hebben haar omvangrijke oeuvre beïnvloed: haar Afrikaanse jeugd, haar communistische engagement en haar zoek-tocht naar zingeving via het Soefisme, een levenshouding waarin het gedachtegoed van het Oosten en het Westen verbonden worden. Lessing was een gepassioneerd sociaal voorvechter, wars van conventies, tegendraads, zoekend, nieuwsgierig, ongrijpbaar. Haar werk was altijd verrassend, diepgravend, polemisch en strijdlustig, haar pen vlijmscherp.

In 1949 scheidde zij van haar man, Gottfried Lessing (wiens naam zij behield), nam haar jongste zoon en het manuscript van The Grass is Singing (1950) met zich mee op de boot naar Engeland. Vervolgens haalde ze fel uit naar de Apartheid in Zuid-Afrika en ook in Rhodesië was ze niet langer welkom door haar campagne tegen kernwapens. Na vele jaren distantieerde ze zich ook van het communisme, na de inval van de Sovjet-unie in Hongarije in 1956.

Met de publicatie van haar roman The Golden Notebook (1962) werd Lessing door de vrouwenbeweging uitgeroepen tot feministisch icoon. De hoofdpersonages in haar roman bleken vrije vrouwen die de moderniteit van de late jaren '50 belichaamden: zij scheidden, namen minnaars en hadden een carrière, maar eisten ook de maatschappelijke vrijheid om te breken met hun politieke engagement, meer concreet het communisme. Dat feministes dweepten met het boek, zag Lessing niet zitten. Tegendraads als ze was, schoffeerde Lessing haar feministische bewonderaars: 'Wat ik ergerlijk vind aan de feministische revolutie is dat ze figuren heeft voortgebracht die tot de meest zelfgenoegzame wezens horen die ooit over de aardbol kropen. Feministen missen elke vorm van geestelijke flexibiliteit. De gedachte dat mannen ook aardig kunnen zijn, komt nooit in hen op'.

Lessing wordt beschouwd als een van de belangrijkste naoorlogse Britse schrijvers. In haar romans, novelles en essays behandelde zij tal van controversiële onderwerpen: rassenpolitiek, waanzin, oorlog en geweld, genderkwesties, de rol van het gezin en het individu in de maatschappij. Eind jaren 70 legde zij zich toe op sciencefictionverhalen, begin jaren 80 op politieke kwesties en sociale vervreemding. Ook in haar laatste romans bleef Lessing provoceren, dwarsliggen, taboes doorbreken en vooroordelen onderuit halen. In 2007, het jaar waarin zij de Nobelprijs won, verscheen The Cleft, haar laatste roman waarin zij nauwgezet 'de gleuven' en de 'zakpijpjes' beschreef, ofwel: vrouwen en mannen.

Doris Lessing overleed in 2013 op 94-jarige leeftijd.

Geraadpleegde bronnen:

De Haes, J. (15/07/2008), 'Doris Lessing herschrijft familiegeschiedenis', geopend op 17/10/2017 via Cobra.be

Rys, B. (datum onbekend), 'Nobelprijs voor Doris Lessing, dec. 2007', geopend op 17/10/2017 via Rosavzw.be

Ishiguro, K. (2009), Nocturnes - Vijf verhalen over muziek en het vallen van de avond, Uitgeverij Atlas

1. Over de auteur

Na mijn ietwat ongelukkige keuze om een boek van een Nobelprijswinnaar te lezen (zie Doris Lessing, hierboven) besloot ik meteen een nieuwe poging te wagen. Daarbij koos ik voor Kazuo Ishiguro (2017), de auteur van The Remains of the Day (1989), prachtig verfilmd door regisseur James Ivory met Anthony Hopkins en Emma Thompson in de hoofdrollen. Ondanks acht nominaties won deze film destijds geen Oscar. De roman zelf won wel de Booker Prize.

'De bekroning is een volslagen verrassing,' aldus een recensent van De Standaard in oktober 2017: 'De naam van Ishiguro kwam zelfs helemaal niet voor in de lijstjes van de bookmakers. (...) Hij is een veilige keuze, of in de woorden van de jurysecretaris, een keuze die de wereld blij zal maken.' Verder wordt de auteur in hetzelfde artikel omschreven als een mengeling van Jane Austen en Franz Kafka, met een snuifje Marcel Proust, een auteur die blijk geeft van een grote integriteit en een eigen esthetisch universum creëerde. Hoewel hij in Nagasaki, Japan, geboren werd, wordt Ishiguro beschouwd als een 'op-en-top Britse schrijver', die in Engeland opgroeide en studeerde.

Ishiguro liet weten zich vereerd te voelen bij het winnen van de Nobelprijs:

'The greatest authors in history have received this Prize, and I have to say, it's great to come one year after Bob Dylan who was my hero since the age of 13. He's probably my biggest hero. I'm nearly 63 years old, I can't remember a time when we were so uncertain about our values in the western world. You know, I think we are going through a time of great uncertainty about our values, about our leadership. People don't feel safe. So I do hope that things like the Nobel Prize will in some way contribute to the positive things in the world, to the decent values in the world, and that it would contribute to some sense of continuity and decency.'

2. Over het boek

Uiteraard - het verbaasde me niet - bleken, bij een bezoek aan de bib, alle boeken van Ishiguro uitgeleend. Dat wil zeggen: alle boeken behalve één. Op basis daarvan verwachtte ik dan ook dat Nocturnes een absoluut dieptepunt zou blijken binnen het oeuvre van deze auteur. Een gelijkaardige ervaring als met het lezen van Doris Lessing (prima auteur, verkeerde boek) hing me andermaal boven het hoofd.

'Nocturnes - Vijf verhalen over muziek en het vallen van de avond', uit 2009, biedt precies wat de titel belooft. In vijf korte tot middellange verhalen voert de schrijver ons mee naar piazza's in Italië, schimmige hotelletjes in Engeland en exclusieve hotels in Hollywood. Telkens is de 'ik-verteller' een muzikant die een anekdote vertelt waarin hij zelf (of een enkele keer ook een collega-muzikant) een hoofdrol speelt. Zo ontmoet een jazzgitarist, die de Venetiaanse café's afschuimt op zoek naar werk, in het eerste verhaal voormalige crooner Tony Gardner, die plannen koestert voor een comeback. Gardner raakt aan de praat met de bescheiden gitarist en legt hem een eigenaardig, doch eenvoudig voorstel voor. Bij het vallen van de avond stappen zij samen in een gondel.

In het tweede verhaal wordt de verteller uitgenodigd bij een voormalige schoolvriend en diens vrouw, in hun appartement in Londen. Zodra hij daar arriveert, gaat de man er echter vrij snel vandoor en blijft Ray achter met Emily, die hem op een vreemde manier benadert.

Het meest vreemde verhaal uit het boek is het derde, Malvern Hills, waarin de verteller een songschrijver is die, op zoek naar inspiratie, tijdelijk bij zijn zus en schoonbroer intrekt. In hun restaurant ontmoet hij een vreemd, Duits echtpaar.

In het vierde kortverhaal duikt een oude bekende op. Lindy Gardner, de voormalige echtgenote van crooner Tony Gardner uit het eerste verhaal, verblijft na een plastische ingreep in een luxehotel. Zo ook saxofonist Steve, die eveneens zijn gezicht liet verbouwen: 'Vorige week was ik nog jazzmuzikant. Nu was ik gewoon de zoveelste meelijwekkende streber die zijn gezicht had laten doen om zich in navolging van de Lindy Gardners van deze wereld een weg naar ijdele roem te banen.' Wanneer Steve wordt uitgenodigd in de suite van zijn beroemde buurvrouw, ondernemen de twee een nachtelijke wandeling doorheen het immense hotel.

In het vijfde en laatste verhaal bespeurt een saxofonist op een 'piazza' een voormalige collega: de Hongaarse cellist Tibor. Hij vertelt de lezer over de tijd die hij, zeven jaar eerder, samen met de cellist doorbracht: 'Als ze zeggen dat Tibor die zomer in zijn nadeel veranderde, dat hij naast zijn schoenen ging lopen, dat het allemaal door die Amerikaanse kwam, dan is daar misschien wel iets van waar.'

Deze verhalenbundel deed mij sterk denken aan de kortverhalen van Roald Dahl. Toch begon zich ook iets vreemds af te spelen: ik kon mij nadien de afloop van de afzonderlijke verhalen niet meer herinneren. Net zoals in de realiteit kennen deze kortverhalen immers geen duidelijke afloop. Als een loszittend draadje aan een wollen trui rafelden de fragmenten langzaam uit, zonder doorslaggevende ontknopingen of een duidelijke moraal. Maar toch, evengoed biedt deze bundel een prima blik op de schrijfstijl en inventiviteit van Ishiguros verdere oeuvre.

'Ik had naar hem toe willen gaan en hem aanspreken, maar tegen het einde van onze set was hij alweer weg. Misschien was hij alleen die middag hier. Hij droeg een pak - niets bijzonders, gewoon een pak - dus zit hij nu misschien hele dagen op een kantoor achter een bureau. Misschien moest hij voor zaken in de buurt zijn en reisde hij uit nostalgie via onze stad, wie weet? Als hij nog eens naar het plein komt en ik ben niet aan het spelen, dan ga ik naar hem toe en maak een praatje.'

****

Ishiguro, K. (2015), Vergeten Reus, Uitgeverij Atlas/Contact, Antwerpen/Amsterdam

In de bib ontwaarde ik toevallig, op het karretje bij de net teruggebrachte boeken, nog een andere roman van Ishiguro. Omdat ik meen dat het lezen van wat kortverhalen niet helemaal representatief is voor een gans oeuvre, besloot ik zonder nadenken deze roman mee naar huis te nemen. Korte tijd later voelde ik mezelf misleid. Ik houd namelijk niet van fantasyliteratuur, zogenaamde 'sword and sorcery', oftewel boeken die bevolkt worden door elfen en kobolden, trollen en tovenaars. Ishiguro leidde mij flink om de tuin. Pas halverwege dit boek ontdekte ik immers de ware aard van Vergeten reus.

Plaats van gebeuren is het hoge noorden van Engeland. Het tijdperk is de zesde of zevende eeuw, met her en der nog overblijfsels van Romeinse villa's en in onbruik geraakte heirbanen. De herinnering aan koning Arthur leeft nog. De bejaarde Axl en zijn vrouw Beatrice verlaten hun woonst om weer bij hun zoon te kunnen zijn. Om duistere redenen raakten zij geïsoleerd binnen het dorp waarin zij wonen, dat uit weinig meer dan een aantal gangen bestaat, uitgegraven in een bergflank. Hun zoon, over wie zij zich in feite weinig of niets lijken te herinneren, zal allicht wel enkele dorpjes verderop wonen. Het lijkt erop dat hun herinneringen in nevelen gehuld zijn. De tocht naar hun verdwenen en dus mogelijk zelfs denkbeeldige zoon, zal een uitputtende queeste worden. Onderweg maken Axl en Beatrice kennis met allerlei vreemde figuren: een veerman, een jonge knaap die uit zijn dorp verbannen werd, een Saksische krijger, een oude ridder van koning Arthur. Soms reizen zij samen, dan weer apart. De oude Axl lijkt bij zijn medereizigers herinneringen uit lang vervlogen tijden op te roepen, maar zijn precieze identiteit blijft vaag. Zelf tracht ook hij zich iets te herinneren. Tevergeefs.

Uiteindelijk blijken de dramatische doelen van de verschillende hoofdrolspelers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ieder zal zijn rol spelen bij het doden van de gevreesde draak Querig.

Hoewel Vergeten Reus enig mysterie herbergt, weet Ishiguro dit dreigende verhaal te vatten in een merkwaardig poëtische en bijzonder krachtige, literaire taal, die de lezer aanzet ijverig te blijven lezen. De ontwikkeling en sfeer van het verhaal doen vaag denken aan Tolkien, Umberto Eco's De naam van de roos, zelfs aan Vandersteens De Rode Ridder-stripreeks.

Pas aangekomen bij het laatste hoofdstuk begrijpt de lezer echter dat dit net géén boek was over de vroege middeleeuwen, en dus ook niet over oude ridders en draken. Vergeten Reus kan gelezen worden als één langgerekte metafoor. Recensent Lucas Vanclooster (cobra.be) vond er in 2015 volgende diepere betekenis in terug: 'Ishiguro heeft indirect een boodschap voor de Oekraïners in Kiev en Donetsk, voor de Spanjaarden en Joegoslaven na de burgeroorlog. (...) Volstaan vergeving en amnestie om met een schone lei te herbeginnen en gewezen bloedvijanden in vrede en welzijn naast of met elkaar te laten leven? Ishiguro lijkt er niet in te geloven.'

Mogelijk heeft Vanclooster het bij het rechte eind, al zag ik er zelf eerder de symbolisch omschreven lijdensweg in van een oude vrouw die af te rekenen krijgt met een onverbiddelijke aftakeling van haar lichaam. Beatrice gaat op pad met een zekere pijn. Hiervoor wil zij te rade gaan bij respectievelijk een dubieuze genezeres en een geleerde monnik.

'Wie zit te wachten op die pijntjes? We hebben ze allemaal, en allemaal zouden we ervan af willen als het kon. Laten we die vrouw vooral opzoeken als ze hier is, en die wachters laten ons wel door.' (pag. 59)

Verderop in het verhaal, wanneer Axl en Beatrice in een geïmproviseerd bootje een rivier afvaren, worden zij overspoeld door kleine wezentjes, kobolden, die de oude vrouw tot zich willen nemen. De oude Axl dient te vechten voor het behoud van zijn echtgenote.

'Hij wendde zich naar de mand van zijn vrouw in het riet en zag dat het water eromheen wemelde van de ledemaatjes en schoudertjes. Zijn eigen mand kapseisde bijna door het gewicht van de wezentjes die erin probeerden te klimmen. (...) Hij zag andere wezentjes samendrommen op de dierenhuid die Beatrice bedekte, en een kreet slakend klom hij op de zijkant van de boot en liet zich in het water vallen.' (pag. 267)

Wanneer tenslotte een dappere krijger de draak Querig wil doden, dringen Axl en Beatrice er eerst op aan om het te proberen met een giftige geit.

'Vergeeft u een oude vrouw dat zij zich erin mengt. U moest zo-even lachen om onze geit, maar u gaat een enorm gevecht tegemoet. (...) Laat ons dan in elk geval onze geit die laatste helling op brengen en in die kuil duwen. Als u zonder hulp een vrouwelijke draak gaat bestrijden, laat die dan traag gemaakt zijn door vergif.' (pag. 323)

Uiteindelijk zal de verzwakte Beatrice door een veerman worden overgezet naar een eiland, waarvan zij meent dat hun zoon zich daar bevindt.

'Daar wacht onze zoon. Vreemd toch dat we zoiets ooit hebben kunnen vergeten.' (pag. 351)

Wat mij betreft is het duidelijk dat dit hele boek niet zozeer dient gelezen te worden als een historische roman met fantasyinvloeden, maar als een metaforisch opgevatte lijdensweg die een bejaard koppel aflegt, ten prooi gevallen aan alzheimer (Axl) en een slepende ziekte (Beatrice). Oude kloosters blijken in dat opzicht uiteindelijk ziekenhuizen te zijn, dappere ridders artsen, kobolden bestraling, een draak een kankergezwel. De hele queeste tussen het begin en de afloop van het boek doet er uiteindelijk niet toe. De aandachtige lezer onthoudt immers dat dit boek gaat over liefde, wanhoop en berusting. Het is verpletterend, onovertroffen! Eindelijk begrijp ik waarom Ishiguro de Nobelprijs verdiende.


*****

Ishiguro, K. (2000), Toen wij wezen waren, Uitgeverij Atlas/Contact, Antwerpen/Amsterdam

Christopher Banks is Engelands meest gevierde detective, al wordt hij door zijn vroegere studiegenoten herinnerd als een wat vreemde snuiter. Het vergrootglas dat zij hem, bij wijze van grap, cadeau deden, aanvaardde hij in dank. De enige misdaad die hij nooit wist op te lossen, was de verdwijning van zijn eigen ouders. Eerst werd zijn vader ontvoerd, daarna verdween ook zijn moeder. Gelukkig was er nog die grappige, altijd genereuze oom Philip. 

Het is laat geworden - er is ruim een uur verstreken sinds ik mijn laatste zin op papier heb gezet - en toch zit ik hier nog steeds aan mijn bureau. Vermoedelijk heb ik deze herinneringen, sommige waarvan ik vele jaren niet had opgehaald, steeds opnieuw de revue laten passeren. Maar ik heb ook vooruitgekeken, naar de dag dat ik uiteindelijk naar Sjanghai zal terugkeren, naar alles wat Akira en ik daar samen gaan doen. Natuurlijk, de stad zal vele veranderingen hebben ondergaan. Maar ik weet ook dat Akira niets liever zal doen dan me rondleiden om te pronken met zijn uitgebreide kennis van de verborgen krochten van de stad. (pag. 137)

In zeven hoofdstukken biedt Ishiguro de lezer een blik in Christophers Banks' leven, van diens jeugd in Sjanghai tot in Engeland, waar hij studeerde en werd opgevoed door een tante. Banks besluit Londen te verlaten, om in Shanghai op zoek te gaan naar zijn ouders. Hierbij dient hij zich te mengen met de plaatselijke jetset, zichzelf een houding aan te meten tegenover Sarah Hemmings, de lakse houding van speurders en gemeenteraadsleden aan te pakken. Zal hij er ook zijn jeugdvriend Akira nog eens terugzien? In het jaar 1937 woedt een oorlog tussen China en Japan. Dit maakt Banks' zoektocht er niet bepaald makkelijker op. 

Toen wij wezen waren bevat een duidelijk autobiografische gelaagdheid, wetend dat Ishiguro als vijfjarig Japans jongetje naar Engeland emigreerde om daar uit te groeien tot de schrijver die hij vandaag is. Zoals bij Vergeten Reus bezigt Ishiguro ook in dit boek een toon van vergeefsheid. Banks' ouderlijke huis is aangepast, zijn jeugdvriend heeft een andere gedaante aangenomen en ook zijn ouders bleken zo hun geheimen te hebben. Des te meer Banks te weten komt, des te meer hij zijn jeugdjaren moet loslaten.

Bijna elke dag had mijn onderzoek wel weer een staaltje van hun nalatigheid, corruptie of erger uit de jaren daarvoor aan het licht gebracht. En toch was ik al die dagen sinds mijn komst geen enkel voorbeeld tegengekomen van oprechte schaamte, geen enkele erkenning dat de situatie nooit het huidige crisisniveau zou hebben bereikt als degenen die de dienst uitmaakten niet zo laks, kortzichtig of uitgesproken oneerlijk waren geweest. (pag. 233)

***

Claus, H. (1998), Onvoltooid verleden, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

Commissaris Blaute neemt een verhoor af van Noël, een ietwat mensenschuwe magazijnbediende in een boekhandel die door zijn meerderen en collega's minachtend behandeld wordt. Noël blijkt de broer van René Catrijsse, de hoofdrolspeler uit De Geruchten die op een dag vanuit Afrika terugkeert naar zijn geboortedorp Alegem. Maar goed, hoewel broer René regelmatig vermeld wordt, is dit verder van geen belang.

Noël legt aan de commissaris uit wat hem bezielde om een misdaad te begaan. Welke misdaad precies, dat komt de commissaris (en dus ook de lezer) slechts mondjesmaat te weten. De ondervraagde herinnert zich hoe hij het in zijn hoofd haalde dat zijn baas, misschien met enkele kompanen, enkele meisjes zou hebben misbruikt. Het Vlaanderen dat Claus schetst, baadt in een obscuur, ellendig post-Dutrouxsfeertje. Wie is hier de betrouwbare burger en wie een achterbakse kinderontvoerder? Wie tracht het goede te doen en wie probeert bewijsmateriaal te vernietigen? Waarom rijden Marokkanen rond in de meest prachtige auto's terwijl aftandse sloeries hun lichaam verkopen aan eender wie er maar voor wil betalen? Dit is het Vlaanderen van de jaren 90, waarin het Vlaams Blok aanwezig is in het straatbeeld en het verval van de beschaving onhoudbaar is ingezet.

'Wat een pokkebuurt!' schreeuwde zij. Zij liep naar de gemeenschappelijke muur en bonkte er op. Het behangpapier dat daar los zat, barstte, wit stof daalde over haar zwart haar met de donkerrode tinten. Toen riep zij Arabische verwensingen. De buren hielden op met zingen. Zij beantwoordden Judiths gekrijs in dezelfde afgehakte taal. Judith greep haar Sabena-tas en liep, kaarsrecht, zonder naar mij om te zien de kamer uit, het huis uit. Een uur later, toen ik al besloten had dat het maar beter zo was, kwam zij terug. Zij zei dat het haar speet, maar dat zij niet tegen dat gezang kon. (...) Uit Alices kast in de slaapkamer haalde ze een haarborstel. Zij rukte de haartjes van mijn verdwenen vrouw uit de borstel, aandachtig, ingekeerd, zoals de kat zich likte. Zij borstelde haar eigen haar. En toen de sofa. En toen mijn jas. Ze zei dat zij geld had gekregen van de notaris en dat zij de helft ervan aan haar Mohammed had gegeven.

Hoewel hij vlot kan praten en op chronologische wijze zijn verhaal uit de doeken doet, blijkt Noël toch vooral een verwarde geest; iemand die als kind op zijn hoofd is gevallen en daar nog steeds de gevolgen van draagt. Een simpele ziel die makkelijk te manipuleren valt. Is hij een dader of net een slachtoffer? Het is aan de lezer om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.

***

Japin, A. (2017), Kolja, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen

Sofronov had de kachels al gedoofd, maar de temperatuur in het appartement waar de gestorvene lag opgebaard bleef stijgen. Niet alleen rees de zorg dat dit het lichamelijke bederf zou bevorderen, ook waren diverse mensen door het lange wachten en alle emotie onwel geworden. Het gedrang aan de Malaja Morskajastraat werd zo langzaamaan onhoudbaar. Sinds de deuren waren opengezet stond het trappenhuis van boven tot beneden vol. Er ontstond wrevel tussen de klimmende en dalende rijen, die zich langs elkaar moesten wringen. Sommigen, die nog afscheid moesten nemen, verweten anderen, die dit net hadden gedaan, dat ze met hun gesnotter de boel hadden opgehouden. (...) De componist had zijn comfortabele sofa moeten verruilen voor een harde, lage katafalk, bedenkt met glanzend wit satijn, waarop hij in zijn zwarte pak was neergelegd. Hieroverheen was een doorzichtige lijkwade gedrapeerd, die alleen zijn gezicht vrijliet.

De beste romans zijn diegene die mij aansporen om na het lezen nog extra opzoekwerk te willen verrichten, op het internet of in de bib. Lustrum van Robert Harris, was zo'n boek, of De Vlamberken van Lars Mytting. En daarnaast nog een handvol andere boeken, meestal gebaseerd op ware feiten. Het opzoeken en scheiden van feiten en fictie is vaak wat het speurwerk na het lezen zo interessant maakt.

Ik kocht Kolja enkel maar om een reden te hebben om te kunnen aanschuiven bij de stand op de Boekenbeurs waar Arthur Japin signeerde. Daarna stond het boek nog ruim een half jaar op de plank te wachten op een eerste leesbeurt. Uiteindelijk kwam het er dan toch nog van. Wat een aangename ontdekking! Al tijdens het eerste hoofdstuk werd ik als lezer volledig meegezogen in de ontwikkelingen en de zorgvuldig opgebouwde plot.

De componist Tsjaikowski is dood, gestorven nadat hij water dronk dat mogelijk besmet was met de bacterie die cholera veroorzaakt. Kolja, de dove jongeman die als kind door de broers Tsjaikowski onder de vleugels werd genomen - Modest leerde de jongen met succes spreken en liplezen - rept zich naar Sint-Petersburg. Tijdens de voorbereiding van de begrafenis van de beroemde componist bemerkt de jongen dat er een en ander niet helemaal klopt. Meer mag ik over de plot niet verklappen, maar volgend fragment uit een nawoord van de schrijver geeft al een zekere indruk:

In 2013 ondertekende president Vladimir Poetin een wet die het, zogenaamd ter bescherming van de jeugd, strafbaar maakt om homoseksuele relaties als die van de broers Tsjaikowski te 'propageren'. Hierdoor staat de lgbt-gemeenschap in de Russische Federatie op dit moment aan actievere en agressievere vervolging, openlijker bedreiging en intimidatie bloot dan in Tsjaikowski's tijd. Dit jaar nog werd het bestaan bekend van kampen in Tsjetsjenië waar mannen vanwege hun geaardheid worden geïnterneerd, gemarteld en gedood.

****

Roth, Ph. (2009), De vernedering, De Bezige Bij, Amsterdam

Hij was zijn magie kwijt. De vonk was gedoofd. Hij faalde nooit op het toneel, al zijn rollen waren sterk en succesvol, en toen gebeurde het verschrikkelijke: hij kon niet meer spelen. Opkomen werd een marteling. De zekerheid dat hij zou schitteren maakte plaats voor de wetenschap dat hij zou falen. Hij kon het publiek niet meer bereiken. Zijn talent was dood.

Simon Axler, een van de belangrijkste Amerikaanse toneelacteurs van zijn generatie, dient het acteren noodgedwongen op te geven en laat zichzelf opnemen in een psychiatrische kliniek. Hij is het spoor volledig bijster. Zijn vrouw is er vandoor, zijn publiek komt niet meer opdagen, zijn manager zit met de handen in het haar. In de kliniek leert de acteur Sybil kennen, die haar tweede man betrapte op zedenfeiten met haar achtjarige dochtertje.

'Het is slécht. Iemand moet die slechte man,' vertrouwde ze hem fluisterend toe, 'voor me doodmaken.'

Zo begint de schrijver een kort maar krachtig verhaal over een man die nog rondspartelt, maar beseft dat hij weldra kopje-onder zal gaan. Een bepalende factor is Pegeen, de dochter van een koppel met wie Axler ooit bevriend was. Op een dag staat zij, een bedrogen lesbiënne die besluit dat ze het maar eens met een man moet proberen, aan zijn deur. Simon en Pegeen klampen zich aan elkaar vast, hopend op die manier een beetje verlossing te vinden, maar evengoed beseffend... Ach, meer mag ik over dit boek eigenlijk niet verklappen. Met z'n 143 pagina's is deze dertigste roman van Philip Roth slechts een zeer dun boekje dat elke doorwinterde lezer in een oogwenk uit heeft. Voor men goed en wel beseft welke richting het verhaal uitgaat, is het alweer voorbij. Maar de korte rit is dat kleine beetje moeite wel waard.

***

Hertmans, S. (2013), Oorlog en Terpentijn, De Bezige Bij, Amsterdam

Na Oorlog en Terpentijn las ik Naar Merelbeke (Hertmans, S. (1994), Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven), maar dat vond ik maar niks. Ik kon mijn arme hersenen er niet toe brengen om te geloven dat de protagonist effectief een been miste. Dus probeerde ik het met Harder dan sneeuw, dat ik wel uitlas, maar mij niet meer dan een onbestemde vingeroefening leek (Hertmans, S. (2004), Meulenhoff, Amsterdam). Gelukkig vond ik De Bekeerlinge wél erg goed, al vroeg ik me bij de laatste bladzijde dan weer af wat ik er precies zo goed aan had gevonden (Hertmans, S. (2016), De Bezige Bij, Amsterdam). Het staat daarom buiten kijf dat ik Oorlog en Terpentijn, mijn eerste indruk van Stefan Hertmans' schrijverschap, met voorsprong nog 's mans beste werk vind. Het te kunnen toevoegen aan deze blog leek me een uitstekende reden om dit meesterwerk nog een keer te herlezen.


Meer dan dertig jaar heb ik de schriften, waarin hij zorgvuldig, in zijn weergaloze vooroorlogse handschrift, zijn herinneringen had neergeschreven, bewaard en gesloten gehouden; hij heeft ze me gegeven enkele maanden voor zijn dood in 1981. Hij was toen negentig jaar. Hij was geboren in 1891, zijn leven leek niet meer geweest te zijn dan het over elkaar heen springen van twee cijfers in een jaartal. Tussen die twee jaartallen lagen twee oorlogen, rampzalige massaslachtingen, de meest hardvochtige eeuw uit de hele mensengeschiedenis (...) en zijn lange leven als vergeten oorlogsheld. Het is het leven dat hij me vroeg te beschrijven door me die cahiers toe te vertrouwen. (pag. 19, 20)

Hertmans reconstrueert het leven van zijn grootvader, Urbain Martien, op basis van wat hij in diens notities aantreft: zijn volwassenwording, zijn opvattingen over schilderkunst, zijn liefdes, maar ook de Eerste Wereldoorlog en de lange dagen in de loopgrachten bij de IJzer, waar hij gewond raakt. In Liverpool, waar hij vervolgens weer herstelt, gaat Urbain op zoek naar fresco's die zijn vader - dus Hertmans' overgrootvader - er ooit aanbracht op de muur van een bescheiden kloosterkerkje. Wat volgt is, mijns inziens, een van de hoogtepunten uit deze roman:


Ik liep er naar binnen zonder enige hoop, enkel met de bedoeling voor mijn vaders zaliger nagedachtenis te bidden. Ik knielde neer op een eenvoudige harde bank. Ergens brandden enkele walmende kaarsen en een vrouw lag voorover op de stenen vloer te bidden. (...) Toen zag ik achter het altaar een wandschildering waarop blijkbaar de Heilige Franciscus was afgebeeld; een krans van kleine vogels vloog rond zijn half kale hoofd. Ik liep de twee treden op voorbij het altaar en voelde een soort elektrische schok door mijn lijf trekken: de heilige had onmiskenbaar het gezicht van mijn vader. Ik geloofde mijn ogen niet, maar daar stond hij - hij had zichzelf hier afgebeeld, hier, waar niemand hem dat ten kwade had kunnen duiden, ervan overtuigd dat niemand dit ooit zou weten of zien. (pag. 218, 219)

Hertmans ontrafelt dit persoonlijke stukje geschiedenis, neemt zijn tijd, balanceert op de dunne lijn tussen de neutrale geschiedschrijver en de sentimentele kleinzoon die over zijn grootouders de prachtigste zinnen neerschrijft. Wat die zinnen betreft, die zijn vaak oneindig lang, maar bevatten nooit een enkele overbodige letter. Met vier of vijf zinnen kan Hertmans een bladzijde vullen die een wereld van informatie bevat:

Mijn kinderjaren zijn overwoekerd geweest door zijn verhalen over de Eerste Wereldoorlog, steeds maar weer de oorlog: vage heldendaden in moddervlaktes onder een regen van bommen, knetterende geweerschoten, in het duister schreeuwende schimmen, in het Frans gebrulde bevelen, dat alles met een groot gevoel voor vertoon uitgebeeld vanuit zijn schommelstoel - verder was er steeds weer prikkeldraad, er vlogen shrapnels om onze oren, mitraillettes knetterden, lichtkogels beschreven een hoge boog langs het donkere uitspansel, mortieren en houwitsers vuurden, duizend bommen en granaten, terwijl de van hun thee nippende tantes beaat zaten te knikken en ikzelf niet veel meer onthield dan dat mijn grootvader een held moet zijn geweest in tijden die even ver van me af lagen als de middeleeuwen waarover ik hoorde vertellen op school. (pag. 15)

Eén enkele zin, kijk maar na! Toen ik vijf jaar geleden zelf aan mijn eigen Oorlog en Terpentijn begon - een veel te ambitieus project, dat geef ik toe - spiegelde ik me graag aan de schrijfstijl van Hertmans. Vrienden die een eerste proefdruk lazen, merkten vervolgens graag op dat ik mijn zinnen veel te lang had gemaakt: 'Hak die zinnen in kortere stukjes, vervang komma's door punten, dan maak je het de lezer al een stuk makkelijker.' Uiteraard hield ik rekening met deze opmerkingen, die wel steek leken te houden, dus haalde ik de virtuele hakbijl boven, schrapte passages en knipte elke zin in twee. Onnodig te zeggen dat ik daar vandaag, nu ik Hertmans' meesterwerk een tweede keer heb uitgelezen, flink spijt van heb. In tegenstelling tot wat mij werd verteld, halen lange zinnen helemaal niét de vaart uit het verhaal. Integendeel, ze zorgen er net voor dat de lezer flink doorleest, als een zwemmer die van een startblok duikt en vervolgens het halve zwembad oversteekt vooraleer hij nog eens naar adem komt happen.

Ik heb Oorlog en Terpentijn, zo besef ik, veel te haastig herlezen. Daarom hoop ik het opnieuw snel te vergeten, zodat ik binnen een aantal maanden, in het slechtste geval binnen een jaar of twee, nog eens kan herbeginnen. Dan neem ik er ruim de tijd voor, dat kan ik je wel vertellen. Eén zin per dag, dat hoort het tempo te zijn.

*****

Vanderstraeten, M. (2017), Mazzel Tov - Mijn leven als werkstudente bij een orthodox-joodse familie, uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen

Telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet wil ik wel eens enkele anekdotes bovenhalen die mij terugvoeren naar de jaren waarin ik in de omgeving van de Belgiëlei woonde. Ik begin dan over die keer dat ik op de stemcomputer, als bijzitter van een stembureau, een stokoud joods dametje Anke Van dermeersch van Vlaams Belang diende aan te wijzen (en de tientallen afwegingen die ik daarbij in een fractie van een seconde moest maken). Of over die keer waarbij ik door een joods gezin van straat werd geplukt. Hun kinderen hadden tijdens het ravotten de deur van de koelkast geopend, maar zelf mochten zij die dag geen elektrische toestellen aanraken. Ik, in de hoedanigheid van de toevallige voorbijganger, moest die deur dan maar sluiten voor alles ontdooid zou zijn. Nooit eerder had deze eenvoudige handeling zo'n heldhaftige daad geleken.

Het was een enthousiaste verkoopster van Standaard Boekhandel die me Mazzel Tov van Margot Vanderstraeten in m'n handen had geduwd. Ik moést dit lezen, want louter op basis van dit boek was zij zelf met haar kinderen naar Auschwitz afgereisd. Wat zij via deze roman over de joden te weten was gekomen 'had alle verbeelding getart'. Meer wilde zij daarover niet kwijt, om mijn leesplezier niet te vergallen.

De ondertitel van deze autobiografische roman verraadt al veel: Vanderstraeten beschrijft haar relatie met een Antwerps, joods gezin. Zij helpt de kinderen met hun schoolwerk en ontdekt gaandeweg de vele gewoonten die orthodoxe joden er op nahouden. Op accurate wijze beschrijft zij haar verwondering over tal van zaken.

Hun koelkast was een Amerikaan exemplaar met twee deuren naast elkaar en met in het midden daarvan een waterkraan en een ijsblokjesmachine die ijs spuugde. Vlees zat in de linkerhelft, zuivel en co in de rechter. Pas toen ik de koelkast zag, drong het totaalbeeld tot me door: het lange beentje van de L-vormige ruimte bestond uit een dubbele keuken: de ene kant van de muur was het spiegelbeeld van de andere. De Schneiders hadden twee fornuizen, twee gootstenen, twee vaatwassers, twee aanrechten. Precies zoals Elvira me dat ooit had verteld. 'Wie geen twee gootstenen heeft, gebruikt bijvoorbeeld rode en blauwe plastic kommen. En wie geen dubbele koelkast bezit, kan de frigo indelen in planches of tiroirs voor vlees en zuivel. Maar nooit mag iets lekken: geen vlees op kaas, geen melk op kalkoen, et cetera. En je mag nooit iets warms in zo'n enkelvoudige frigo zetten: alles wat warm is ademt en de hete lucht kan de hele koelkast niet-koosjer maken..

Hoewel goed geschreven is Mazzel Tov toch ook een boek vol gemiste kansen. Wat met de vele jobstudenten die de schrijfster waren voorgegaan maar het baantje bij de Schneiders al na één dag hadden opgegeven? De oude mevrouw Pappenheim die weigert te praten over haar jeugd in het concentratiekamp? De joodse zoon die gaat vechten in Israël, de dyspraxie van de dochter die wil leren fietsen, een reis naar New York in 2001 waarbij de aanslagen van 9/11 voor een cruciale wending zouden kunnen zorgen... Talloze elementen die een boeiend verhaal kunnen opleveren steken telkens de kop op, maar verdwijnen daarna geruisloos weer uit beeld. Het blijven slechts anekdotes en het gewone leven kabbelt telkens rustig verder, terwijl Vanderstraeten wikt en weegt, zich soms druk maakt, zaken in perspectief plaatst. Het resultaat is nooit saai of langdradig, maar leidt verder ook nergens toe. Om nu op basis van dit boek te willen afreizen naar Auschwitz? Een wandeling door de Lange Leemstraat zal ook wel volstaan.

***

Dendooven, G. (2017), Tabac, Em. Querido's uitgeverij bv., Amsterdam/Antwerpen.

Mijn naam is Conny maar ze noemen me Konijn.

Conny en haar oudere vriend muizen er samen stilletjes vandoor. 's Ochtends nemen zij de eerste bus naar het station en daarna de trein naar een willekeurige, zuidelijke bestemming. 'Is het een vlucht of een reis?' luidt de vraag op de achterflap van het boek. En ook: 'Lopen ze ergens van weg of gaan ze ergens naartoe?'

De lezer wordt in het verhaal gegooid en komt met mondjesmaat iets te weten over de hoofdpersonages. Of tenminste toch over Conny, die zich tijdens de treinreis verhalen uit haar prille jeugd herinnert. Haar naamloze reisgezel blijft doorheen het boek een eerder vaag personage. Gerda Dendooven liet zich inspireren door een krantenbericht over twee ongeïdentificeerde lichamen die in Italië werden gevonden. Met haar heldere schrijfstijl schetst zij de achtergrond van het koppel, waarbij heden en verleden elkaar voortdurend afwisselen. De keuze voor twee verschillende lettertypes - de schrijfster is de echtgenote van vormgever Gert Dooreman - zorgt hierbij telkens voor duidelijkheid. Het heden wordt gevormd door de reis die het koppel maakt, het verleden behandelt voornamelijk de krampachtige relatie van Konijn met haar moeder:

De slijmen zijn taai en de koorts blijft stijgen. Moeder brandt kaarsen en bidt elke ochtend een rozenkrans om genezing te vragen aan de Heilige Rita. Niks helpt. Uiteindelijk komt e dokter. Hij onderzoekt me grondig, stelt vast dat ik het begin van een longontsteking heb en neemt moeder even apart. Hij scheldt haar de huid vol. Ze is onverantwoordelijk. Ze gebruikt ouderwetse middeltjes, die nooit hun doeltreffendheid hebben bewezen. Wil ze misschien dat haar kind sterft? (...) Toch blijft ze elke dag mijn rug en borst insmeren met een smerige zelfgemaakte zalf van konijnenvet, eucalyptus en tijm. Ze kan het niet laten. Ik stink naar ziek zijn en pillen, naar moeders vieze zalf en naar de kaarsen die ze blijft branden om voorspoed af te smeken.

Buiten een psychologisch portret van de protagoniste en het gezin waarin zij opgroeide, biedt het boek maar weinig verhaal. Conny en haar lief lijken op de vlucht voor hun eigen 'gewone leven', maar lijken niet in te zien dat men niet kan vluchten voor zichzelf. De reis die zij ondernemen zal dan ook steeds meer symbool komen te staan voor de doelloosheid van het bestaan. Het gedoemde koppel ziet de seizoenen komen en gaan. Zij beseffen dat zij de Italiaanse winter zullen moeten overleven in een leegstaand huis dat zij zich toeëigenden. Gaandeweg wordt het boek een soort Into the wild:

Tussen twee buien door ga ik naar buiten. Wat ronddwalen in het wenende bos. Het tapijt van dennennaalden is zompig en alles ruikt naar rot. Hier en daar wipt een blad omhoog. (...) Jij blijft liever binnen. Ronddwalen in de kronkels van je hoofd. Houdt zelfs voor mij de deur naar je ziel dicht. Jouw stilzwijgen legt een steen op mijn hart. We zien nog maar zelden mensen, voelen ons onwennig in het gezelschap van anderen. Wanneer je afgesloten van de wereld leeft, weet je niet meer hoe je op een ongedwongen manier met vreemden moet omgaan. Maar soms heb ik genoeg van de stilte hier, dan wil ik de wereld in, mensen zien.

Gerda Dendooven schreef hiermee geen vrolijk boek bij elkaar, maar haar treffende beschrijvingen van verschillende elementen (de lange treinreis, andere passagiers, allerlei zintuiglijke waarnemingen) heeft zij op een haast poëtische manier weten te vatten. Haar taalgebruik verlicht de sombere sfeer waarin het boek baadt. Al bij al is Tabac een vlot leesbaar boek dat ook makkelijk als tussendoortje weg te slikken valt. Of het ook een beklijvend meesterwerk is dat nog maanden zal nazinderen in het hoofd van de lezer, is nog maar de vraag.

***

Op de Beeck, G. (2018), Gezien de feiten, Stichting CPNB i.s.m. Uitgeverij Prometheus

'Ze liet zich gewillig omhelzen door nichten die ze in geen jaren had gezien, schudde handen met mensen van wie ze de naam niet kende, tolereerde tranen van wandelclubleden van wie ze wist dat ze Ludo niet konden uitstaan en luisterde minzaam naar adviezen van zestigplussers die beweerden te weten wat het was. Zelfs Carmen, die haar met een door prozac geïnspireerde glimlach wist te melden dat een fijne serviceflat in een rusthuis nemen de ideale manier was om niet alleen te hoeven zijn, stond ze manhaftig te woord. Het hoorde er nu eenmaal bij.'

Olivia, 71 jaar oud, legt zich na de dood van haar typisch Vlaamse man (die zij vijftig jaar lang heeft onderhouden) niét neer bij de feiten. Ondanks haar bescheidenheid blijkt zij dan toch niet de vrouw die, treurend om haar echtgenoot, rustig haar eigen einde zal afwachten. Tot de verbazing van haar dochter Roos, die de Vlaamse kneuterigheid belichaamt, gaat Olivia als vrijwilliger aan de slag in een Afrikaans land. Daar, omringd door kansarme kinderen, herontdekt zij zichzelf. Zij valt er als een blok voor Daniël, een oudere Afrikaanse man die in hetzelfde schooltje werkt, maar durft niet eens te hopen dat die genegenheid wederzijds is. Tot zij weer terug naar haar eenzame, Vlaamse huisje moet afreizen, waar het portret van Ludo haar nog steeds zal aanstaren.

Anderhalf uur heeft het mij gekost om te beseffen dat Griet Op de Beeck verdomd goed weet wat ze heeft gedaan. Ze heeft een stinkbom gemaakt, de deur van de onverdraagzaamheid geopend en haar eindproduct giechelend van deugnieterij naar binnen gekeild. Een pamflet ter bevordering van de verdraagzaamheid, waar zeshonderdduizend exemplaren van werden gedrukt die allemaal gratis de deur uit mogen; het is een briljante zet! In sommige landen had men Op de Beeck allang verketterd wegens landverraad of smaad aan de regering. 'Gezien de feiten' is immers het boekje dat mijn schoonmoeder, die jaren geleden een stem uitbracht voor de Antwerpse burgemeester 'omdat die toch zo sympathiek overkwam in De Slimste Mens ter Wereld', het een en ander kan doen beseffen. Tal van exemplaren werden intussen vast wel door sympathisanten van extreemrechts en andere sujets met een vertekend wereldbeeld doorheen Vlaamse huiskamers richting vuilnisbak gekeild.

Op zich is 'Gezien de feiten' een erg eenvoudig boekje dat buiten Vlaanderen allicht weinig potten zal breken. Schrijftechnisch heeft de auteur haar schrijfstijl - al dan niet bewust - zo laagdrempelig mogelijk gehouden. Deze 94 bladzijden vergen van de lezer weinig inspanning. De coverfoto, waarop bejaarden een geanimeerd rondedansje doen op een zuiders strand, zal vast wel de doelgroep aanspreken waarop Griet Op De Beeck met dit boekje mikt, maar belooft in feite precies het tegenovergestelde van wat de lezer voorgeschoteld krijgt.

De optelsom is eenvoudig: wie moeiteloos voorbij bladzijde 70 raakt, zal dit boekje moeiteloos uitlezen en enorm met Olivia meeleven. Wie onderweg afhaakt, zal zich gaandeweg achter het bekrompen standpunt van dochter Roos hebben geschaard ('Is hij getest op ziektes?'), niet in staat te begrijpen wat diens bejaarde moeder nu eigenlijk heeft bezield. Hopelijk weet minstens de helft van alle gedrukte exemplaren een potentiële lezer te bereiken. Indien boekhandelaars met een overschot blijven zitten, stel ik mezelf bij deze kandidaat om alle resterende exemplaren alsnog te gaan uitdelen in drukke winkelstraten en shoppingcentra.

****

Boyne, J. (2017), Wat het hart verwoest, Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

West-Cork, Ierland, 1945. Catherine, een zwanger tienermeisje, wordt door de pastoor en haar familie uit de gemeenschap verstoten. Ze trekt naar Dublin, waar ze bevalt van een zoontje terwijl in dezelfde kamer de twee homoseksuele jongens die haar onderdak boden, worden doodgeslagen door een furieuze vader. De lezer is dan pas aanbeland bij bladzijde 57. Er vallen er nog 550 te gaan, want Wat het hart verwoest is een dikke turf. Toch heb ik 'm een kleine week later uit, want deze roman leest erg vlot en verliest op geen enkel moment zijn spankracht.

Cyril Avery groeit op aan hetzelfde tempo waarmee zijn geboorteland, Ierland, zich ontwikkelt na Wereldoorlog II. Het zal een hele strijd worden, want in het ultraconservatieve land is geen plaats voor homoseksuelen. Meer nog, het bestaan van 'deze ziekte' wordt zelfs grofweg ontkend. Cyril komt terecht in een wereld waarin mannen elkaar opzoeken op geheime plekken om er snel 'hun ding te doen' en vervolgens weer in de nacht te verdwijnen.

'Er zijn in de hele wereld homoseksuelen,' zei de dokter. 'Engeland heeft er veel. Frankrijk zit er vol van. En ik ben nog nooit in Amerika geweest maar ik neem aan dat er ook daar meer dan genoeg zijn. Ik zou niet denken dat het veel voorkomt in Rusland of Australië, maar ze hebben waarschijnlijk als compensatie wel iets anders weerzinwekkends. Hoe dan ook, onthoud: er zijn geen homoseksuelen in Ierland. Misschien heb je in je hoofd gezet dat je er een bent, maar je hebt gewoon ongelijk, zo simpel is dat. Je hebt ongelijk.' (pag. 224)

Cyriel tracht, door scha en schande, zijn draai te vinden in deze wereld. Hij wordt geadopteerd door een bijzonder vreemd echtpaar, waarvan de man een fraudeur blijkt te zijn en de vrouw een kettingrokende schrijfster. Alle personages die verder nog hun opwachting maken, blijven doorheen het hele boek komen en gaan, als sterren die op geregelde tijdstippen langs een centrale planeet scheren, maar deze nooit weten te raken. Enkel de lezer is zich bewust van de vele verwijzingen die Cyril doorheen het ganse verhaal krijgt in verband met zijn biologische moeder. Soms voelen deze enorme toevalligheden ietwat geforceerd en vergezocht aan, maar door vele fictieve elementen te koppelen aan historische personages, plaatsen en gebeurtenissen (Anne Frank, aids in de jaren 80, de aanslagen op de Twin Towers...) weet de schrijver de schijn van geloofwaardigheid op te houden. Een enkele keer overdrijft hij daar zelfs in, wanneer hij in een voetnoot een bibliografische verwijzing plaatst naar een fictief boek:

'Maude had in haar hele schrijverscarrière maar bij één gelegenheid een lezing in het openbaar gehouden. Van die rampzalige avond staat een goed gedocumenteerd verslag in de biografie van Alice*, hoewel ze zelf niet aanwezig was geweest om ervan te getuigen. Ik was er wel. (...) Toen ze klaar was met het voorlezen van het eerste hoofdstuk, dat veertig eindeloze minuten leek te duren, barstte het publiek uit in applaus. Ze keek boos en zei: 'Hou op, in jezusnaam, ik ben nog niet klaar,' voordat ze zich op het tweede hoofdstuk stortte. En daarna het derde. Pas toen de laatste toehoorder meer dan twee uur later uit de boekhandel was weggestiefeld, stopte ze met lezen, sloeg het boek dicht, nam mij bij de hand en stoof naar buiten.'

* Alice Woodbead, 'Hymnen aan de hemelpoort: Een leven van Maude Avery' (Dublin, 1986), pp. 102-104.

(pag. 513-514)

Cyril reist de wereld rond, op zoek naar zijn geluk. Van Ierland gaat het richting Amsterdam, daarna naar Amerika en Slovenië. Telkens tracht hij zich te conformeren aan wat van hem verwacht wordt (een huwelijk met een vrouw, een saaie kantoorbaan, vrijwilligerswerk in een ziekenhuis...), maar het geluk lijkt hem telkens net zo te ontglippen als een noodzakelijke ontmoeting met zijn moeder. 

'Hij knikte naar een foto die vastgespijkerd was aan de stenen muur naast ons; ik had hem tot dan toe niet eens opgemerkt. 'Séan MacIntyre, de jongen van wie ik hield. De jongen die hij heeft vermoord.' Op de foto stonden twee mannen naast elkaar, de een lachend en de ander boos naar de camera kijkend. Rechts was een vrouwengestalte te zien, die door de rand in tweeën werd gesneden.' (pag. 349)

John Boyne leidt de lezer in deze lijvige, fictieve biografie doorheen een diepmenselijk verhaal dat gaandeweg gaat groeien naarmate de ruimere context dat ook doet. Hij put daarbij uit allerlei mogelijke verhaallijnen die het verhaal de nodige diepgang kunnen meegeven. De beloning voor de ijverige lezer wacht aan het eind, in de vorm van een ontroering die zijn effect niet mist.

****

Op de Beeck, G. (2013), Vele hemels boven de zevende, uitgeverij Prometheus

Jos leeft met een geheim. Dat hij een drankprobleem heeft, is alvast niet zijn geheim. Daar is zijn hele gezin immers al jaren van op de hoogte. Hij bekijkt zijn omgeving vanaf de zijlijn. Zijn vrouw Jeanne vindt hij bemoeizuchtig en onuitstaanbaar: 'Jeanne vond dat het toppunt, zei ze. Dat zij uitgerekend op haar pleziertochtje zo'n telefoon moest krijgen. Dat ze zich nooit eens wat pret kon permitteren zonder zich zorgen om mij te moeten maken. Dat ze het kots- en kotsbeu was. En dat we allemaal... Daarna ben ik gestopt met luisteren.'

Zoon Ben was altijd al de lieveling van zijn moeder. Ben woont samen met zijn vrouw en kinderen in een villa met zwembad, brengt veel tijd door in het buitenland en duikt sporadisch op bij familiefeestjes: 'Hij was altijd al de lieveling van Jeanne. Ik weet niet of dat per se een cadeau was. Ik denk soms dat die jongen nooit zichzelf heeft kunnen zijn.' Doorheen het boek valt hij vooral op door zijn afwezigheid. Wanneer hij dan toch eens opduikt, wordt dat extra in de verf gezet: 'Ben heeft het ook druk, maar Ben zorgt er gewoon voor dat hij hier is, op de verjaardag van zijn moeder, toch, Ben?' Een mogelijk vraag die onbeantwoord blijft, is waarom de zoon zichzelf lijkt te hebben gedistantieerd van het gezin waarin hij opgroeide.

Elsie lijkt al jaren gelukkig met haar man Walter, een nierchirurg op wie verder weinig aan te merken valt, en hun beide kinderen, Jack en dochter Lou. Maar, zoals met wel meer zaken binnen dit verhaal, is ook dit slechts valse schijn. Elsie wordt emotioneel voortdurend heen en weer geslingerd tussen de liefde voor haar man en haar minnaar Casper, een kunstschilder: 'Soms als ik Walter thuis zie zitten, verdiept in een boek bijvoorbeeld, een en al concentratie, of terwijl hij bijna struikelt over de hond, en dan sorry zegt tegen de hond, of terwijl hij treiterig tegen de kinderen doet (...) dan denk ik: mijn liefde voor die man zit diep.'

De eigenlijke hoofdfiguur binnen het verhaal, hoewel de meeste personages op ongeveer evenveel aandacht mogen rekenen, is de jongste dochter van Jos en Jeanne, Eva. Haar karakter wordt het meest uitgediept, maar tegelijk valt ze nooit helemaal te doorgronden. Zij werkt als psychologe in de gevangenis ('Omdat ik denk: er moet toch iemand luisteren naar mensen die niemand wil horen'), heeft de ware liefde nog niet gevonden ('Waar zitten ze toch, die fijne venten?') en blijkt, ondanks haar sterke karakter, weinig zelfzeker ('Ik ben al zeven kilo vermagerd'). Die onzelfzekerheid is vooral te wijten aan haar omgeving. Hoewel Eva altijd klaarstaat voor anderen, komen de complimenten zelden of nooit haar richting uit: 'En dan zegt hij: 'Evaatje, ik vind u zo geweldig, hè.' Ik glimlach. 'Ik kan met niemand beter praten, en het is altijd dikke fun, wij twee op stap.' Ik glimlach breder. 'Alleen spijtig dat gij niet mooier zijt. Van mij moeten vrouwen geen topmodellen zijn, maar van u zou ik echt geen stijve kunnen krijgen. Zo spijtig.' Hij knippert heftig met zijn ogen, valt een beetje stil. Ik mompel iets, sta op, reken af, en ga weg.'

Tenslotte is er nog Lou, de dochter van Elsie en Walter. Ook deze jonge tienermeid worstelt met haar eigen vragen, tracht te begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt, wie ze al dan niet kan vertrouwen.Voor haar is haar tante Eva van cruciaal belang. Maar dan breekt de dag aan waarop Jeanne ter gelegenheid van haar vijfenzestigste verjaardag besluit om al haar kinderen, inclusief partners en kleinkinderen uit te nodigen voor een feestje: 'En zij houdt wel van vormen van aandacht en drukte, dus dat moest op niveau gevierd worden, vond zij.' Plots krijgt het verhaal een zure wending die doet denken aan Thomas Vinterbergs meesterlijke film 'Festen' (Denemarken, 1998), al blijft de toon erg Vlaams en dus nog vrij bescheiden. Na afloop van dit feestje zal echter niets nog hetzelfde zijn.

'Vele hemels boven de zevende' is een prachtig boek, niet alleen voor volwassenen maar ook voor wat rijpere jongvolwassenen. Zowel setting als personages zijn zeer herkenbaar binnen dit boek. De toon van het verhaal is soms vrij hard, maar nooit overdreven expliciet. Hoewel bij de verfilming kunstwerken van de hand van mijn schilderleraar werden gebruikt (zie foto), hoef ik de film voorlopig nog niet te zien. Filmpersonages vallen zelden samen met de manier waarop zij zich tijdens het lezen in mijn hoofd nestelden. In mijn geheugen mogen zij nog enige tijd onaangeroerd blijven ronddwalen tot zij wat aan scherpte hebben ingeboet.

****

Koen de Graeve (boven) en Tom Liekens (onder). Eén van beiden acteert zijn schildertalent.

'De procedure is geconstrueerd, doordacht en tot in de puntjes netjes uitgevoerd. Verwijzingen naar religie, filosofie en mythologie en de werkelijkheid vind je natuurlijk à la Mulisch genoeg en ze zijn ook weer prachtig bedacht. De theorie is in orde, de compositie uitgekiend. Leuk voor wie van puzzelen houdt, maar het werkelijke verhaal van 'De procedure' begint nooit. Mulisch heeft zijn boek een mooi lichaam gegeven, maar is de ziel vergeten.'

Talstra, H. (1998), Leuk voor puzzelaars, opgeroepen op 4 oktober 2017, van 8weekly.nl

Mulisch, H. (1998), De procedure, uitgeverij De Bezige Bij


'Wie onmiddellijk meegesleept wil worden, ten einde de tijd te doden, kan dit boek beter meteen dichtslaan, de televisie aanzetten en op de bank achterover zakken als in een warm schuimbad,' waarschuwt Mulisch de lezer. En inderdaad, wie vol verwachting De procedure openslaat, kan beter meteen doorbladeren tot pagina 28, naar het derde hoofdstuk. Wat hieraan voorafgaat lijkt slechts pseudowetenschappelijk gebazel over de Bijbelse schepping van de mens, het interpreteren van Hebreeuwse teksten en drie 'additionele overwegingen' over het structureren van een verhaal, om uiteindelijk uit te komen bij een naam: Clara Veith. Zo, dat heb ik u dan alvast bespaard, zonder dank. De auteur verkneukelt zich alvast: 'Ziezo, de opzet is gelukt. Wij zijn onder elkaar. De onreine meelezers zijn hals over kop gevlucht voor al die spookachtige letters. 'Dit lijkt maar niets!' hoorde ik ze roepen.'


Ook de volgende twee hoofdstukken voelen nog steeds wat ongemakkelijk aan. In De golem trachten enkele Joodse geleerden, in opdracht van een keizer, een levend wezen te scheppen uit klei. Zij slagen daar ook in, waarna hun vrouwelijke golem meteen een van haar scheppers vermoordt. De argeloze lezer vraagt zich af of hij misschien per ongeluk aan een fantasyroman is begonnen, maar dit hele derde hoofdstuk blijkt niet meer dan een visioen.

In hoofdstuk vier kijken we mee naar een echtpaar uit de tijd van onze (over)grootouders, die bezig zijn een kind te concipiëren: 'Zonder zich nog te bewegen, met trillende armspieren, op zijn rug de lange, overdwarse littekens als souvenirs uit Duitsland, keek hij hoe zij nu snel wegkolkte in een orgiastische baaierd, waaruit zij steeds harder begon te gillen.' Tamelijk onbehaaglijk, inderdaad. Maar kom, het verhaal krijgt nu tenminste een alledaags karakter dat ook een ongeschoolde lezer kan begrijpen. Wie niet houdt van allerlei details die bij een bevalling horen, kan alvast doorbladeren naar het tweede deel van deze roman.

'Waar gaat dit eigenlijk nog naartoe?' heb ik mezelf intussen (een keertje te veel) afgevraagd. Ik besluit mezelf nog meer literair gespartel te besparen en neem de samenvatting door die ik op Wikipedia vind. Ik twijfel en sla dit boek nog een laatste keer open. Op de eerste pagina lees ik toch duidelijk 'Eerste druk oktober 1998'. Ik heb het gevoel dat het minstens twintig jaar ouder is, alsof het werd geschreven in pakweg 1976. Zowel toon als inhoud staan ver van mij af, waardoor ik er geen vat op lijk te krijgen. 'Geef mij toch maar het schuimbad', bedenk ik. Morgen breng ik dit boek weer terug naar de bibliotheek.

*

Streuvels, S. (1926), Het leven en de dood in de ast,

uitgeverij Manteau nv (vijfde druk 1993)

Het verhaal beschrijft een nacht in een ast. Een ast (of eest) was een soort schuur of klein fabriekje, vaak aangebouwd bij een boerderij. Hierin werden boven stenen kachels (aangestookt met turf) cichoreiwortels gedroogd. Met deze gedroogde wortels kon een drank worden gemaakt die enigszins gelijkt op koffie.

Streuvels bouwt zijn verhaal chronologisch op, maar de fabel wordt af en toe doorbroken wanneer de hoofdpersonages in gedachten verzinken, mijmeren over hun leven of indommelen en dromen. Hoewel de plaats van het gebeuren een gewone werkvloer is waar enkele eenvoudige arbeiders aan 't werk zijn, maakt de auteur in zijn eerste alinea de vergelijking met een podium waarop een toneelvoorstelling zal worden opgevoerd. Net zoals in de oude, Griekse opvoeringen, zal ook hij in dit boek gebruik maken van één locatie, één gebeurtenis, binnen een beperkt tijdsverloop: 'De mannen vervullen elk zijn aangewezen rol - handeling welke ineensluit als een geordend werktuig dat in 't ijle draait - een schouwspel dat in 't tijd- en ruimteloze afspint.' (p.1)

Hoewel het sujet erg eenvoudig is en zichzelf in één zin kan laten samenvatten, ligt net in bovenstaande frase ('een schouwspel dat in 't tijd- en ruimteloze afspint') de sterkte van Streuvels' kortverhaal: het is tijdloos. Niettegenstaande het taalgebruik sterk verouderd is en wij tegenwoordig geen chicoreidrogerijen meer kennen, is het gegeven van drie arbeiders die de nacht doorbrengen op de werkvloer een eenvoudige en herkenbare situatie. Ook de ontwikkeling van het verhaal blijft gemoedelijk: terwijl de eigenaar van de ast, samen met de twee jongste arbeiders - Maf en Lot - naar de kroeg trekt voor wat nachtelijk vertier, blijven drie anderen achter om de ast draaiende te houden. De oude Blomme, ploegbaas Hutsebolle en Fliepo, deze laatste nogal simpel van geest, praten of dromen over zaken die zij zichzelf hadden toegewenst, maar die door omstandigheden nooit in vervulling zijn gegaan: 'Hutsebolle tracht zich Blomme voor te stellen hoe hij er in zijn jongde mag uitgezien hebben, om al de meisjes op hem verzot te maken. Gelijk de pezige vent daar nu zit, aan zijn baardbranderke te lutten, en de gedachte aan zijn dulle griete van een wijf, zijn bende grote jongens die hem de oren afgegeten hebben, lijkt het eerder koddig en niet te geloven. Maar de toon van zijn verhaal is opgewekt en overtuigend - er steekt nog sap in die oude tjok.' (p.20)

Midden in het verhaal dommelen de hoofdpersonages in terwijl de oven zijn werk doet. Streuvels besluit dit moment te gebruiken om een pauze in te lassen in zijn 'opvoering'. Vreemd genoeg is deze korte onderbreking taalkundig gezien haast interessanter dan het hoofdverhaal. Uitgesponnen over een drietal bladzijden vertelt de schrijver over muizen die tevoorschijn komen, op zoek naar iets te eten, terwijl ze begluurd worden door een uil die het juiste moment afwacht om toe te slaan. Het geheel voelt aan als een verwijzing naar het noodlot dat boven ieders hoofd hangt. Streuvels trekt alle registers open en laat de muizen hun gang gaan: 'Nadat ieder zijn bekomste heeft en de nooddruft voldaan is, begint de leute en de zottemarterije, het buitelen en dansen, kachaaien en ginnegabben, piokken, takelen, tjokken, tinsen en titsen, trijkelen, kulle-bukken, hossebrokken, zeerden, pierlen, kokeren en dertelen, al overhoop - alsof ze op eigen gebied alleen meester waren en in de hele wereld niemand vrezen moesten. Geen enkel van die zotgemutste muizen die 't gevaar vermoedt welke hen boven 't hoofd hangt - die oog of oor heeft op 't geen in de donkere verdiepen van 't dak, op de hanebalken verscholen zit - het gedrocht dat uit zijn verheven troon, heel dat kluchtspel van het brooddronken gespuis gadeslaat en afloert, om er op 't gepaste ogenblik tussen te springen, en aan 't spektakel van die balleganters een eind te maken.' (p.39/40)

Gaandeweg worden de drie arbeiders zich bewust van hun eenzaamheid, hun verlangens en desillusies, hun sterfelijkheid. Op dit laatste worden ze nog eens extra gewezen door Knorre, een landloper die in een hoekje van de werkplaats komt schuilen voor het miezerige weer, stilletjes indommelt en - zo blijkt tegen de ochtend - sterft. Hij is een randfiguur die geen woord met hen wisselt, maar is belangrijk door de impact die zijn dood heeft. De arbeiders realiseren zich dat, terwijl zij droomden van een beter leven, de schooier tenminste kon gaan en staan waar hij wilde - en daarmee allicht een even waardevol leven leidde als de drie noeste werkers.

Aanvankelijk bleef ik mij afvragen welke bochten dit verhaal zou nemen. Al snel werd echter duidelijk dat deze novelle vooral om zijn sfeerschepping zou bijblijven. Streuvels maakte er een taalkundig spel van, bouwde een decor op uit contrasten: licht en donker (de wereld buiten en binnen de ast), de zware arbeid en het plezier na de werkuren, droom en werkelijkheid. De drie mannen dromen bijvoorbeeld over de dood van Knorre. Na het ontwaken zijn zij niet meteen zeker wat echt is of vals: 'Fliepo is op zee geweest, een storm meegemaakt op een schip, heeft moeten aan land zwemmen, achtervolgd door Knorre's lijk dat op de baren rondzwalpte en dreigende gebaren miek... Bij 't ontwaken blikt Fliepo angstig rond, als om iets te zoeken. Met één slag bekomt hij de zekerheid van 't geen hij vreesde: Knorre snurkt niet meer!' (p. 62)

In volgende passage uit het boek keren ook de jonge arbeiders tegen de ochtend terug naar de ast, waar zij de landloper levenloos aantreffen. De drie, die zich de hele nacht van de stille aanwezige bewust waren, vinden dit verschrikkelijk. De twee jongelingen relativeren: 'Voor de Maf en Lot echter is Knorre zijn schone dood gestorven... omdat het niet anders kon - de mechaniek tot op den draad versleten - niets ongewoons - en 't geen er van overschiet ligt daar. Niet meer dan een zak bonen die moet buitengesleept worden, zegt de Maf. Hij is in de peerdenhemel, jenever aan 't drinken, beweert Lot. Dat brengt hen op de vraag: wàt moet er mede gebeuren? Hier kan hij niet blijven.' (p. 64/65)

Er bestaat een foto uit Streuvels' archief waarop de schrijver eigenhandig noteerde: 'Dat is Knorre uit den Ast' (afbeelding rechts).

***

Boyne, J. (2013), Het victoriaanse huis, Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam

Volgens mij beschouwt John Boyne Het victoriaanse huis zelf als een stijloefening, een speels tussendoortje. Niet dat het niet onderhoudend is, laat staan slecht geschreven. Nee, het is een erg degelijke roman die leest als een trein, waarin spanning en mysterie de nieuwsgierige lezer bij de les houden en de ontknoping in verhouding staat tot alles wat voorafging. Al vroeg in het boek, op bladzijde negen, laat de schrijver in zijn kaarten kijken:

'Ik pakte de krant weer op en zag direct waar hij op doelde. Er stond aangekondigd dat Charles Dickens, de wereldberoemde schrijver, de volgende avond - vrijdag - uit eigen werk kwam voorlezen in een voordrachtszaal in Knightsbridge, niet meer dan een half uur lopen van waar wij woonden. Wie dit wilde bijwonen werd aangeraden bijtijds te komen, want het was bekend dat meneer Dickens altijd een groot en enthousiast publiek trok. 'Daar moeten we naartoe, Eliza!' riep mijn vader stralend uit. Hij nam nog een hap haring om het te vieren. Buiten viel er een daklei van het dak, losgerukt door de wind, en sloeg te pletter in de tuin.'

Charles Dickens is doorheen dit boek overduidelijk Boynes bron van inspiratie, maar ook Edgar Allan Poe, Roald Dahl of zelfs Stephen King lijken nooit veraf.

Na haar vaders dood besluit Eliza in te gaan op een advertentie als gouvernante. Zo belandt ze in Gaudlin Hall, waar ze enkel twee kinderen en een norse tuinman aantreft. Verder lijkt er echter niemand aanwezig. Het eerste wat ze daarom dient te ondernemen, is uitzoeken wie haar werkgever is. Dat blijkt op zich al een hele opdracht, maar daarnaast beginnen zich ook onverklaarbare, zelfs levensgevaarlijke zaken af te spelen.

'Toen ik alleen was, voor de eerste keer sinds ik die ochtend mijn huis had verlaten, ging ik even op het bed zitten en slaakte een diepe zucht van opluchting. Ik keek om me heen, zonder te weten of ik in tranen moest uitbarsten na deze bizarre dag, of hardop moest lachen omdat alles zo absurd was. (...) Ik blies de kaars op mijn nachtkastje uit, trok de dekens op tot aan mijn schouders, deed mijn ogen dicht en liet een grote geeuw aan mijn mond ontsnappen. In de verte hoorde ik een akelige kreet. (...) Het klonk eerder als een vrouw die werd gewurgd dan als iets anders. Maar ik was moe en murw van een hele dag reizen en de verwarrende toestand met de drie bewoners van Gaudlin die ik tot dusverre had ontmoet.'

Veel meer mag ik niet verklappen. Boyne puzzelde zijn plot zorgvuldig bij elkaar, zodat het mysterie langzaam ontrafeld wordt. Is Eliza de eerste in een lange reeks gouvernantes die haar verblijf in het oude huis zal overleven?

**

Pfeijffer, I. L. (2013), La Superba, Arbeiderspers/NL

Eerste deel: Het mooiste meisje van Genua

Ilja Leonard Pfeijffer laat er geen twijfel over bestaan: de 'ik'-verteller die hij opvoert, is hijzelf. Of niet helemaal. Hij speelt er een beetje mee. De schrijver zelf is een personage dat perfect aan alle kenmerken van zichzelf beantwoordt, die ook in dezelfde setting rondloopt tussen figuren die daar in werkelijkheid vertoeven. Het is een erg dunne lijn tussen fictie en realiteit. Pfeijffer dwaalt rond in zijn fantasie, die grotendeels aansluit bij de werkelijkheid: Als ik denk aan deze notities, mijn vriend, en als ik eraan denk hoe ik ze ooit zal transformeren tot een roman, die gedragen moet worden door een protagonist die zich vrij zal zingen van mij en het recht zal opeisen tot zijn of haar eigen naam, ervaringen en ondergang in ruil voor mijn persoonlijke confrontatie met mijn nieuwe stad (...), dan denk ik eraan hoe cruciaal het zal zijn toch iets voelbaar te maken van de sensatie van geluk die deze stad mij keer op keer verschaft, al was het maar als een sprankelende prelude op de paukenslagen van het noodlot (pag. 36).

Pfeijffer schrijft zijn manuscript op het terras van de waar het mooiste meisje van de stad werkt. Omdat hij op dat terras al schrijvende zoveel mogelijk tijd wenst door te brengen, neemt hij uitgebreid de tijd om op een hoogdravende manier uit te wijden over allerlei zaken die hem bezighouden. Bladzijden lang kan hij doorgaan over de klank van een Italiaanse plaatsnaam (Dit is Campo Pisano, een perfecte naam in eufonisch opzicht., een volmaakt huwelijk van klank en ritme. Het metrum is het triomfantelijke slotakkoord van een heroïsch vers. De naam past precies na de bucolische diëresis van de dactyllische hexameter. De opeenvolging van het bi-syllabische en trisyllabische woord gehoorzaamt aan das Gesetz der wachsenden Glieder en creëert een charmant woordeinde na het eerste ongemarkeerde element van de dactylus, waardoor een ideale afwisseling ontstaat van een dalen en stijgend ritme. - pag. 38), over de schoonheid van meisjes (Vroeger dacht ik dat er twee soorten waren: mooie en lelijke meisjes. Maar in het licht van mijn meest recente onderzoeksresultaten is die dichotomie niet langer valide, al zal de eenvoud van dat model altijd zijn charme blijven behouden, vrees ik. - pag. 21) en over de steegjes en de pittoreske straten van Genua, waarbij zijn beschrijving ongetwijfeld nauwgezet te volgen valt via Google Streetview (Als je bij San Donato wil zijn, is het gewoon veel handiger om gewoon Vico Vegetti naar beneden te nemen en dan rechtsaf te gaan over Via San Bernardo. Dat is sneller en comfortabeler. En als je op het hogere gedeelte van de Stradone Sant' Agostino wilt zijn, bij Piazza Sarzano, dan is het veel sneller en comfortabeler om dezelfde Vico Vegetti te volgen in de andere richting, langs de Facoltà di Architettura regelrecht naar Piazza Negri. - pag. 37).

Gebeurt er verder nog iets in dit boek? Ja, maar aanvankelijk slechts in de marge. Tussen de oeverloze uiteenzettingen door, vindt de schrijver - excuseer: 'het personage dat perfect op de schrijver lijkt' - een vrouwenbeen. Inderdaad, een vrouwenbeen. Een sierlijk vrouwenbeen met een nylonkous en kleine teentjes. Ilja verbergt zijn vondst aanvankelijk in een kast, maar wordt er zowaar hitsig van: En zo had ik alles verpest. Godverdomme, wat was ik toch een klootzak. Een flinke kledder van mijn sperma op een geamputeerd vrouwenbeen, dat is precies het soort DNA dat technische rechercheurs het lekkerst vinden. (pag. 27) Hij besluit zich ervan te ontdoen. Tussen Pfeijffers verdere mijmeringen over 'zijn been' door, fulmineert hij nog wat meer over alles wat typisch Italiaans is: religie, voetbal en de travestieten die in bepaalde wijken rondhangen. Waarom nu precies dat afgezaagde been hem fascineerde, vat hij zo samen: Toen ik seks met haar had, had ik seks met mijn eigen fantasie en daarom was het volmaakte seks (pag. 44). Met deze bedenking in het achterhoofd vist hij het vrouwenbeen opnieuw op uit de vuilniscontainer waarin hij het gooide en neemt het terug mee naar huis. Uiteraard blijkt het been intussen een ondraaglijke stank te verspreiden. Opnieuw ontdoet hij zich ervan. Vanop een klif gooit hij het in zee, om enkele dagen later in de krant te lezen dat het uit het water werd opgevist. Ilja wordt steeds meer benieuwd naar de vrouw aan wie het been toebehoorde.

Regelmatig gaat Ilja in gesprek met Rashid, een Marokkaanse immigrant die rijk hoopt te worden door rozen te verko-pen bij de vele terrasjes. De arme man leeft in een vicieuze cirkel, 'een fantasie die hij niet eens zelf bedacht', want zijn familie in Marokko verwacht geld dat hij niet kan verdienen. Enige tijd later zal een terrasjesvriendin, signora Mancinelli, Ilja waarschuwen dat hij niet met Marokkanen mag worden gezien: Wat denk je dat mijn vrienden van mij denken dat ik buitenlanders als vriend heb die buitenlanders frequenteert? Jij dient rekening te houden met mijn status in mijn netwerk (pag. 88).

Dan gebeurt plots het ondenkbare. Een aantal pagina's lang wordt de tekst warrig en vaag, maar de lezer begrijpt dat Ilja verwikkeld raakte in een romantische affaire met 'het mooiste meisje', wiens naam vooralsnog een mysterie blijft. De schrijver wil zijn verliefdheid van de daken schreeuwen, maar Cinzia, een andere serveerster met wie hij bevriend raakte, blijkt jaloers en geef hem het deksel op de neus. Haar betoog is deels een voorbeeld van metafictie: En wat voor naam heb je mij gegeven in je opschrijfboekje? Cinzia? Mijn echte naam? Als dat zogenaamde boek van jou ooit uitkomt, zet ik er de advocaten van mijn familie op. Ze zullen je fileren. Je maakt geen schijn van kans. Je begrijpt niets, Ilja. En wat voor naam heb je haar gegeven? (...) Ergens in de verte sloeg een hond aan. En toen zei ze: 'Vraag haar naar haar wonden.' (pag. 85) Ilja zet zijn relatie verder. Op een nacht besluit het mooiste meisje met hem te willen slapen. Zodra hij de littekens van wonden die zij op armen en benen draagt ter sprake brengt, kleedt zij zich echter aan en vertrekt abrupt. De volgende dag vertelt ze hem dat zij door haar vriendje, Francesco, van de trap werd geduwd en dat het beter is dat zij elkaar enige tijd met rust laten: Goed. Dit was het dus. Ik besloot gisterennacht te koesteren als een dierbare herinnering en haar verder te vergeten (pag. 92).

Ilja ontvangt een Nederlands-Duitse vertaalster als gaste in zijn nieuwe thuisstad. Met haar beleeft hij enkele nachtelijke avonturen, maar hij kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij overal 'het mooiste meisje' ziet opduiken, wenend. Met een briefje onder zijn deur neemt zij afscheid van hem. Ze maakte het uit met haar vriend en betreurt het verlies van hun prille liefdesrelatie. De blonde dame met wie zij Ilja heeft gezien, was de druppel die de emmer deed overlopen: Hoe kon je zo harteloos zijn, Leonardo? Hoe kon je mij zo snel vergeten? (pag. 109)

Rachid, de Marrokaan, ziet Ilja na enige tijd weer terug, maar die negeert hem. Hij steekt wel goed in het pak en ziet eruit alsof hij plots toch voldoende geld verdient. Dan verdwijnt Rachid opnieuw van het toneel. Iemand suggereert dat hij in de gevangenis zit wegens drugsfeiten.

Eerste intermezzo: We all live in a yellow submarine

Over de manier waarop Italianen moppen vertellen. Maar vooral ook over Don, een oude Engelsman die ooit in Genua aanbelandde met de intentie om er zich dood te drinken (en dat effectief ook doet). Tot het zover is, entertaint hij er de hele stad vanachter zijn dagelijkse dosis Gin-tonic, met verhalen over zijn roemrijke verleden. Ilja rekent zichzelf tot het kleine clubje mensen die het het dichtst bij Don staan: 'We hielden crisisberaad op een plek die Don nooit zou kunnen vinden. De Mandragola. Rebecca, de eigenares van Caffè Letterario was er ook bij, omdat zij als uitbaatster van zijn stamcafé wereldwijd veruit het best gekwalificeerd was om een oordeel te vellen over Dons situatie. De vergadering werd geopend door onze Schotse vriend, die ons allen dankte voor onze aanwezigheid en benadrukte dat Don nooit iets ter ore mocht komen van de vigerende bijeenkomst. Wij knikten allemaal plechtig. Vervolgens zette hij uiteen waar onze zorgen in de kern op neerkwamen door Dons huidskleur te beschrijven. Volgens hem was die olijfgroen. Daarop barstte er een levendige discussie los. De lobby voor mosgroen leek aanvankelijk een meerderheid te behalen, maar na een veto van de Oost-Europeanen werd een compromis aangenomen: kotsgroen.' (pag. 123-124)

Tweede deel: Het theater elders

In het derde deel van zijn boek lijkt het Ilja een goed idee om, samen met een vriend, Walter, een klein theatergebouw te kopen. Om dit te financieren rekent hij op het geld van Monia, een wankele maîtresse met een zekere leeftijd en 'tieten waarop een fortuin aan belastingen zou moeten worden betaald'. Eigenlijk weet hij haar nauwelijks in de hand te houden. Net zoals de gebeurtenissen die nog zullen volgen. Met veel omwegen vertelt Pfeijffer over zijn ervaringen met de Italiaanse administratie, waarin documenten bestaan en tegelijk eigenlijk 'niet bestaan'. Het woord 'maffia' wordt daarbij amper genoemd, want 'je moet heel machtige vrienden hebben om dat woord in de mond te kunnen nemen, onthoud dat goed' (pag. 176). 'Waarover ik mij soms zorgen maak, is dat sommige situaties waarin ik hier verzeild raak en veel van de personen die ik in werkelijkheid ontmoet in dit vervreemdende decor zo kleurrijk zijn, om niet te zeggen grotesk, dat ze het gevaar lopen als fictie nauwelijks geloofwaardig te zijn. Als ik deze notities, waarin ik jou waarheidsgetrouw mijn wederwaardigheden overleg, ooit ga transformeren tot een roman, zal ik de waarheid noodgedwongen in substantiële mate geweld aan moeten doen. (...) Dit middeleeuwse labyrint lijkt bevolkt door louter ongeloofwaardige romanpersonages, het ene nog pittoresker dan het andere.' (pag. 206-207)

Inderdaad duiken in dit boekdeel heel wat personages op die karikaturaal worden uitgetekend. Ilja en zijn vriend dienen voor de aankoop van het kleine theater om te gaan met de meest vreemde snuiters, van kaartleggers tot 'godfathers'. Tussen alle gebeurtenissen door bedenkt Ilja bijna terloops de plot voor een nog te schrijven boek, over een Italiaanse migrant die in America ('La Merica') het grote geluk hoopt te vinden. In plaats van het boek effectief te schrijven, vertelt hij het hele verhaal via de gebruikelijke weg, de brieven aan de trouwe vriend in zijn thuisland. Slechts met de hulp van een Harry Potter-achtige tovenaar komen Ilja en zijn vriend tot de vaststelling dat zij met de aankoop van het theater op het punt staan te worden opgelicht. De persoon die hen het gebouw probeert te verkopen is immers helemaal geen eigenaar van het pand. Zodra dit uitgeklaard is, nemen de gebeurtenissen een onaangename wending.

Tweede intermezzo: Fatou yo

Na een interessante uiteenzetting omtrent de armoedige wijken van Genua, introduceert de schrijver Djiby, een Senegalees: 'Op de trap naar beneden begon hij te zingen. Het klonk als 'Fatou yo'. Het klonk melancholisch. Het geluid stierf weg terwijl hij afdaalde naar de straat.' (pag. 237) Pfeijffer trakteert de Senegalees op heel wat biertjes, terwijl de arme man op een terrasje uitgebreid vertelt hoe hij vanuit zijn thuisland in Genua terechtkwam. Het verhaal is ongelooflijk, maar realistisch. Het is hetzelfde verhaal dat we hier in ons land tot voor kort dagelijks in de kranten konden lezen: mensensmokkelaars, veel te veel Afrikanen op veel te kleine rubberbootjes, uitgeput ronddobberend op de Middellandse Zee, uitgehongerd en uitgedroogd. 'Ik probeerde intussen voor Julia te zorgen. Ik gaf haar mijn pis te drinken. Regelrecht uit mijn lul, zodat niemand iets kon stelen.' (pag. 253) Djiby vertelt hoe zij worden opgepikt door een Italiaanse visser, maar op de verkeerde plaats wordt afgezet. Terwijl de andere vluchtelingen juichend het strand oplopen, beseft Djiby waar zij zijn: in Libië. 'Na een tijdje zag ik iets op het strand, een meter of honderd landinwaarts. Het was een roestig, leeg vat. Waarschijnlijk had er olie in gezeten of benzine. Daar rook het althans sterk naar. Ik groef het gedeeltelijk uit en kroop erin. Daarna veegde ik het zand terug totdat er een opening overbleef die net groot genoeg was om adem te halen en te zien wat er op het strand gebeurde. (...) Uit angst om gevangengenomen te worden, had ik mijzelf gevangengezet en ik had geen flauw idee hoe ik aan mijn zelfopgelegde gevangenschap kon ontsnappen.' (pag. 257)

Djiby besluit zijn verhaal met de enorme tegenvaller die de Europese droom voor hem was. Hij had gedacht, net zoals vele lotgenoten, om het geld zomaar in handen gestopt te krijgen, zomaar een Mercedes te mogen uitkiezen en als een rijk man naar zijn familie te kunnen terugkeren. Omwille van zijn trots kan hij niet naar zijn land terugkeren. Niemand ging hem immers vooraf om in Senegal te gaan vertellen dat de droom slechts een fantasie is: 'We zijn beiden vanwege een droom naar deze stad gekomen, jij uit het noorden, ik uit het zuiden, en we kunnen perfect samenwerken. Want terwijl het mijn beroep is om zware dingen te dragen en te overleven, is het jouw beroep om te bedenken waarmee je dat allemaal het beste kunt vergelijken. En daarmee verdien je honderd keer zoveel als ik.' (pag. 263) Korte tijd later verdwijnt Djiby uit beeld. Hij vroeg Ilja om geld, terwijl hij een verhaal opdiste over een overval waarbij hij zijn papieren en zijn geld kwijtraakte. Ilja antwoordt hem rechtuit dat hij dit verhaal niet gelooft. 'Hij kuste mijn voorhoofd en vertrok. 'Fatou yo,' zong hij zachtjes voor zich uit. Dat was de laatste keer dat ik hem heb gezien.' (pag. 271)

Derde deel: Het mooiste meisje van Genua (reprise)

In dit vervolg op het eerste deel, wordt Ilja uitgesproken somber. Zo somber zelfs, dat het pijnlijk en ranzig wordt. De schrijver daalt af in de ondergrondse krochten van Genua en de meest donkere hoekjes van zijn eigen geest. Ook zijn schrijverschap maakt hij met de grond gelijk: 'Als Genua echt zo leuk was als ik beweer, zou je er niets over horen, mijn vriend. Alles wat ik schrijf is nep, omdat ik niet schrijf als ik mezelf ben. Het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal, zoals de schepen gingen naar La Merica, zoals ze komen, stumpers, naar het beloofde land van Europa.' (pag. 276) Het wordt winter in Genua, het sneeuwt en de zomerse hoop slaat compleet om in een pessimistische radeloosheid. Het labyrint wordt een grimmige en onbegaanbare plek. Ilja vertelt over doodgevroren Afrikanen, over geparkeerde auto's 'waar het Marokkaanse en Senegales tuig wel raad mee weet', over de nachtclub aan het einde van de dievensteeg San Bernardo: 'De afvoerput van het uitschot van de nacht: acteurs, travestieten en Marokkanen en hun clientèle met wie ze om de haverklap naar de wc moeten om te snuiven, te pijpen of beide.' (pag. 280)

De schrijver ontdekt een pornobioscoop en besluit deze een bezoekje te brengen. Hij merkt hoe hij omringd is door oude, masturberende mannetjes. Aanvankelijk wil Ilja er zich zo snel mogelijk uit de voeten maken, maar dan geeft hij de waarheid toe: 'Er werd iets van mij verwacht. Er werd over mij gefantaseerd. Ik voelde dat in al mijn vezels. Het was niet mijn eerste instinct om zo snel mogelijk weg te rennen, maar om zo langzaam mogelijk mijn gulp open te knopen. Glinsterende oogjes loerden naar mij als wolven in de nacht. (...) Ik voelde me sexy, maar ik was gewoon een dikke schrijver die zich schandalig gedroeg in een openbare gelegenheid in Genua, enfin, je snapt het wel.' (pag. 285) Vervolgens begint hij een lange uiteenzetting over de spoken die 's nachts door de straten van Genua dwalen (letterlijk spoken, zoals de geest van het oude dametje dat hem aansprak) en over ridders, die ooit vanuit de stad op kruistocht vertrokken. Niet alleen deze spoken en ridders houden Ilja bezig. Ook de oude minnares uit het middelste boekdeel duikt weer op: 'Ik schrok op uit mijn slapeloosheid omdat ik geen adem meer kreeg. Ik rook de zurige walm van haar holten. Ze stonk naar een geamputeerd vrouwenbeen in een vuilniszak.' (pag. 303) Wat volgt is het gewauwel van een zielige figuur, die zichzelf (slaap)dronken in de badkamerspiegel staat te bekijken, van zichzelf walgt en overgeeft. Alle thema's uit het boek klinken nu samen als één luide symfonie waarbij de muzikanten in een andere toonaard spelen: de minnares, het geamputeerde been... 'Mijn harde IKEA-bedje voelde aan als de smalle brits op het benedendek van een krakend galjoen op weg naar het heilige land ofals de slaapplekken der derde klasse diep beneden in het ruim van een oceaanstormer op weg naar La Merica. 'Fatou Yo,' zong ik zachtjes. 'We all live in a yellow submarine.' (pag. 304)

Realiteit en fictie drijven steeds verder uit elkaar. Ilja gaat opnieuw op stap, dwaalt door de verlaten steegjes in het midden van de nacht, komt terecht bij een travestiet die een been mist: 'Dit begon langzamerhand een nog grotere nachtmerrie te worden dan de nachtmerries die ik was ontvlucht.' (pag. 307) De oude travestiet vertelt hoe hij een been kwijtraakte. De manier waarop dit verteld wordt, is gortig. Ilja aanhoort het allemaal vanuit een zekere fascinatie. Tegen de ochtend gaat Ilja er uiteindelijk dan toch vandoor. De frisse lucht doet hem goed. Hij reflecteert over al het gebeurde en vat dit samen: 'Dat hele been moet eruit, je hebt gelijk. Het is allemaal te complex en vooral te onsmakelijk. In plaats daarvan schrijf ik wel iets over het beroemde aquarium en de voorbeeldig gerestaureerde musea. Zo krijg ik ik ook minder problemen met mijn Genuese vrienden, mocht mijn hypothetische roman ooit worden geschreven en vertaald.' (pag. 317)

Aangekomen bij de laatste bladzijden uit het boek, maken alle eerdere elementen nog een rentree. Ilja dient nog af te rekenen met de duistere figuren die hem een theatergebouw probeerden op te dringen. Ook zijn Duitse vertaalster duikt opnieuw op, net zoals de pestlijdende middeleeuwers en uiteraard ook het mooiste meisje van Genua. Ilja komt tot de vaststelling dat zijn reden om niet terug te keren naar zijn vaderland, precies dezelfde is die hij eerder al uit de mond van alle andere migranten hoorde: 'Om met hangende pootjes terug te keren (...) en toe te geven dat het allemaal een beetje anders is gelopen dan gehoopt en dat het eerlijk gezegd nogal is tegengevallen, zou een enorme nederlaag zijn. Ik zou de risee zijn van al mijn culturele vriendjes.' (pag. 345) Uiteindelijk geeft hij toe dat hij de hele tijd zélf het onderwerp was van z'n fantasieën. De vernedering is totaal. De schrijver staat letterlijk en figuurlijk in z'n blootje.

*****

de Sterck, M. (2012), Beest in bed - negen echte volkssprookjes, De Bezige Bij, Antwerpen.

De wereldvermaarde filosoof Erich Fromm (1900-1980) verwerkte in zijn boek Dromen, sprookjes, mythen - Het verstaan van een vergeten taal (uit 1967) een samenvattende versie van 'Roodkapje' zoals we ons dit sprookje ook vandaag nog steeds herinneren. Hij interpreteerde de verschillende elementen binnen dit sprookje vervolgens als symbolen die verwijzen naar de eerste menstruatie, de gevaren van seksualiteit, het oerconflict tussen het man en vrouw ('de triomf van mannenhatende vrouwen'). Waar Fromm vreemd genoeg geen informatie over biedt, is de context bij de versie van het sprookje dat hij bespreekt. Om te begrijpen hoe dit sprookje (en nog acht andere sprookjes) doorheen de eeuwen evolueerde, telkens weer aangepast werd aan de normen en waarden van de tijd waarin het verteld werd, moeten we bij Marita de Sterck zijn. Haar boek Beest in bed - negen echte volkssprookjes valt uit elkaar in drie grote delen: een inleiding waarin zij (aan de hand van haar eigen leesbiografie) de opzet van haar boek duidt en de belangrijkste schrijvers van sprookjes doorheen de tijd vermeldt, daarna negen afwijkende oerversies van bekende sprookjes, tenslotte nog een uitgebreid nawoord.

'Beest in bed' leest vlot. De oerversies van de verschillende sprookjes zijn boeiend omdat ze een inzicht bieden in een moraal die in lang vervlogen tijden (lees: de middeleeuwen) heerste. Seks met kikkers, wolven en varkens? Check. Fysieke verminking en ernstige verwaarlozing van kinderen? Check. Een vader die met zijn dochter wil trouwen, een vrouw die in haar slaap verkracht wordt, een psychopaat die zijn echtgenotes brutaal vermoordt? Check, check en check! Sprookjes die we vandaag kennen in zeemzoeterige Disneyversies bleken honderden jaren geleden pure horror, volgestouwd met gruwelijke elementen waarvan enkel de meest verknipte geesten uit onze samenleving vandaag de dag durven te dromen. Zijn ze dan, literair gezien, beter dan de herhaaldelijke bewerkingen van de gebroeders Grimm? Niet echt. Interessanter dan de Disneyfilms? Een beetje misschien. Verhaaltechnisch hangen sommige oerversies echter met haken en ogen aan elkaar.

Het nawoord bij dit boek, waarin Marita de Sterck uitgebreid de tijd neemt om haar verschillende bronnen met elkaar te vergelijken, levert dat boeiende lectuur op? Ja, maar ik geraakte er niet zomaar moeiteloos doorheen. Zoals ik het soms leuk vind om ook eens aandachtig naar onvoltooide demoversies van bekende liedjes te luisteren, is het boeiend om te weten waar een verhaal vandaan komt en wat verschillende auteurs er doorheen de jaren mee deden. Het doet denken aan het spelletje waarin kinderen iets in elkaars oor fluisteren en het laatste kind in de rij iets helemaal anders citeert dan wat het eerste kind kreeg ingefluisterd. Mijn eigen kinderen, die lees ik straks voor het slapengaan wel voor uit een ander boek.

**